De geschiedenis van Brugge strekt zich uit over tweeduizend jaar. Brugge, vandaag de hoofdplaats van de Belgische provincie West-Vlaanderen, een havenstad en een toeristische trekpleister, kent een lang en bewogen verleden. In de middeleeuwen groeide Brugge uit tot een van de handelsmetropolen van West-Europa.
Etymologie
Oudere etymologie De naam Brugge wordt het eerst gebruikt op enkele munten van voor 875. Ze vermelden Bruggia en Bruccia. Destijds was het vrij gebruikelijk om 'G' en 'C' door elkaar te gebruiken. Zo was Caesar's voornaam afwisselend Gaius en Caius.
Aanvankelijk dacht men dat de naam Brugge een verbastering was van de Keltische naam voor de ondertussen gekanaliseerde rivier de Reie, die door Brugge stroomde en in de Noordzee uitmondde. Reie zelf zou dan komen van het Keltische woord Rogia, dat Heilig Water betekent. De Kelten beschouwden rivieren en bronnen als goddelijke wezens en het is waarschijnlijk dat de Keltische naam aan de Brugse waterloop is blijven kleven. Door evolutie zou de naam van het water, Rogia of Ryggia, ook de naam van de stad geworden zijn, Bryggia.
Het werd ook mogelijk geacht dat er in latere eeuwen ook een contaminatie heeft plaatsgevonden met het Oudnoordse woord bryggja, wat landingsbrug of aanlegkaai betekent. Zo waren er vanaf 800 veel contacten met Scandinavië via handel over de Noordzee en door de invallen van de Noormannen. De naam Brugge vertoont dan ook gelijkenissen met Bryggen, de historische haven van Bergen, dat net als Brugge vanaf de 14e eeuw een belangrijke stad was van de Hanze.
Nieuwste inzichten Echter, de idee dat in deze streek Keltisch werd gesproken is grotendeels achterhaald. Zo weet men ondertussen dat de taalgrens langs de kust ten zuiden van Normandië lag.Luc Vanbrabant, "De ontdekking van het Nederlands in Normandië", Boekscout.nl, 2013 Dat betekent dat de toenmalige taalgrens veel verder naar het zuiden lag dan tegenwoordig gemakkelijkheidshalve wordt aangenomen.Men neme gewoonweg de beschrijving van 'Belgica' zoals ze door Julius Caesar geschreven werd. Caesar schreef ook dat "het grootste deel van de Belgen Germaans sprak". Zeker in de streek rond Brugge is geen (bewezen) spoor te vinden van de Keltische taal. Het woord Reie is hetzelfde Indo-Europees woord als Rijn en Rhône en betekent stromend (water).Zie etymologie van Rijn Zowat alle Europese wateren werden ooit 'heilig' verklaard door ijverige monniken.
De betekenis van 'Brugge' is eenvoudigweg 'brug'. Die eerste (houten) brug werd waarschijnlijk door het Romeinse leger gebouwd en lag ter hoogte van de moderne Molenbrug (die de Langestraat met de Hoogstraat verbindt). Daar moest immers de Reie (toen een beek die aan getijden onderhevig was) overgestoken worden. Om piraterij op de Noordzee tegen te gaan hadden de Romeinen een reeks kampen langs de kust gebouwd, de Litus Saxonicum. Zo denken de archeologen van de intergemeentelijke archeologische dienst Raakvlak erover.raakvlak.be Die brug lag op de Romeinse militaire bevoorraaddingsweg die hun kamp in Oudenburg met hun kamp in Aardenburg verbond. Brugge was toen overduidelijk een getijdenhaven, verbonden met de zee, die alleen bij hoogtij kon worden bereikt. Een aanlegsteiger in een getijdenhaven was toen overbodig. Caesar beschrijft de schepen van de streek en maakt duidelijk dat ze gebouwd werden om gestrand te worden. Het woord 'Bryggia' betekent trouwens elke constructie over water.Etymologisch Woordenboek v/h Nederlands, Philippa, Debrabandere, et al, Amsterdam University Press, 2003 Schippers zeiden tegen elkaar: "Waar de brug is, daar is het dorp.". Dat dorp heet nu Oude Burg (een straatnaam). Het was de laatste marktplaats voor de bocht rond het moderne Holland, toen een lange reeks eilanden waarop enkel arme vissersdorpjes te vinden waren. Die bocht stelde toch 10 à 14 dagen zeilen voor. "Aan de brug" of "Brugge" was de laatste plaats om te bunkeren als men vanuit het zuiden kwam, of de eerste vanuit het noorden, vandaar het ontstaan van een stad op die plaats.
Het woord burg komt van het Germaanse werkwoord borgen en verwees waarschijnlijk naar de houten palissade rond het dorp. De schepen vaarden bij hoogtij binnen en strandden zichzelf tijdens de Romeinse en laat-Romeinse tijd in het bekken dat Koetelwijk genaamd werd. Daar konden ze bij laagtij gelost en geladen worden. Het woord is waarschijnlijk Ketelwijk, tegenwoordig Spinolarei, een komvormige plas en 'wijk'. Een 'wijk' was destijds het Germaanse woord voor een afgelegen handelsplaats."Greenwich and the early emporia of Kent", Durham & Goormachtigh, Archaeologia Cantiana, 2014 De zeearm die Brugge toen met de zee verbond werd waarschijnlijk eerst *Duver of *Doever genoemd door zeelui, een samentrekking van 'dubbele oever',"The meaning of the name Dover", Durham & Goormachtigh, Archaeologia Cantiana, CXXXIII, 2013 later werd dat Dijver. Hiermee werd naar de monding, het technisch woord is 'zwin' (of 'zwijn' zoals in Zwijndrecht"Nederlandse Plaatsnamen", H.J.Moerman, Standaard Boekhandel, 1956), verwezen waar duidelijk twee zandige oevers tegenover elkaar aanwezig waren. Er is nu nog een straat 'Dijver' in Brugge, waarschijnlijk op de plaats waar de zeearm Duver (en het getij) ooit eindigde. De oorsprong van het woord 'Dijver' dateert van de IJzertijd. De meest noordelijke en belangrijkste zeearm werd Sincfal (gezonken vallei) genoemd. Brugge is lange tijd met twee zeearmen met de Noordzee verbonden geweest.
Brugge had dus een lastige getijdenhaven, dat bovendien regelmatig verzandde. Nochtans werd het dorp snel rijk tussen 800 en 1000 na Chr. Die periode valt samen met de hoogdagen van de Vikings, waarvan men weet dat ze de 'laatste haven' nooit geplunderd hebben. Zowat alle steden en dorpen in West-Europa hebben ze 'bezocht', maar aan Brugge werd niet geraakt. Raakvlak vermoedt dat ze Brugge, 'de laatste haven en markt', gebruikten als helershaven, waar geen vragen gesteld werden en waar ze met gestolen geld luxeproducten konden kopen, zoals het Vlaamse Laken. Het is haast onmogelijk om op een andere manier de spectaculaire opkomst van de stad-met-moeilijke-haven te verklaren. Het verklaart ook waarom Brugge toen opeens een graaf kreeg (862, Boudewijn met de IJzeren Arm).
Bijnamen Regelmatig wordt naar Brugge verwezen als het "Venetië van het Noorden", refererend aan de vele kanaaltjes en bruggenMenige Europese havenstad met kanalen heeft echter een bijnaam met verwijzing naar Venetië, zoals Amsterdam, Stockholm, Hamburg enSint-Petersburg. De meeste van deze kanaaltjes worden ook "reien" genoemd, in de volksmond "Reitjes", naar de rivier de Reie. Een andere theorie luidt dat de bijnaam te maken heeft met het feit dat de middeleeuwse handelssteden Brugge en Venetië een vergelijkbare functie hadden: distributie en handel.
Ook wordt Brugge vaak de "Breydelstad" genoemd, naar een volksheld uit de 14e eeuw, Jan Breydel.
De bijnaam van de Bruggelingen is "(Brugse) zotten". Deze bijnaam danken ze aan volgende legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk, de latere keizer, in hun strijd om autonomie, voor een tijd gevangen hadden gehouden, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna de toelating opnieuw een jaarmarkt te mogen houden, belastingen te mogen innen én ... het bouwen van een nieuw zothuis. Hij antwoordde: "Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!".
Oudste bewoning (1e - 8e eeuw) De oudste sporen van bewoning kwamen aan het licht tijdens havenwerken in 1899. Nabij de Dampoort en Fort Lapin, ten noorden van de huidige binnenstad, werden keramiek, resten van bouwmaterialen en een scheepswrak van Romeinse origine teruggevonden. Deze vondsten wijzen op een bescheiden Gallo-Romeinse nederzetting uit de 2e eeuw. Deze locatie houdt verband met de Duinkerke I-transgressie die een geul vormde waardoor het zeewater stuwde tot in de buurt van het huidige Brugge. Hierdoor werd het mogelijk om handel te drijven met Engeland en verschillende plaatsen in Gallië. Andere Gallo-Romeinse overblijfselen zijn aangetroffen in de omgeving van de Burg (1965) en aan de Zilver- en Wulpenstraat, respectievelijk in 1982 en 1987. Het ging om aardewerk, enkele fragmenten van bouwmaterialen, waaronder delen van dakpannen en een stuk van een verwarmingsbuis. De site aan de Wulpenstraat stond vermoedelijk in verbinding met het geulensysteem in de kustvlakte. De vondsten zijn echter te fragmentarisch om er conclusies uit te trekken. Het bestaan van verschillende gelijktijdige of opeenvolgende bewoningskernen in de loop van de 1e, de 2e en de 3e eeuw is mogelijk. Naarmate de getijdengeul verzandde, verschoven deze bewoningskernen naar het noorden ter hoogte van Fort Lapin. Het is niet zo verwonderlijk dat er sporen van Gallo-Romeinse bewoning in het latere Brugge aanwezig zijn; het gebied was een gunstige vestigingsplaats.
Circa 270 drongen de Germanen van over zee het kustgebied binnen. Dit, en het opnieuw overspoelen van de kustvlakte, leidde vermoedelijk tot het verdwijnen van de nederzetting aan Fort Lapin. De Duinkerke II-transgressie spaarde de zandruggen die in de huidige binnenstad grosso modo samenvallen met de as Zandstraat (Sint-Andries) - Zuidzandstraat - Steenstraat - Grote Markt - Burg - Hoogstraat - Langestraat - Moerkerkse Steenweg (Sint-Kruis). Deze as maakte vermoedelijk deel uit van de Romeinse verdedigingslinie Oudenburg-Aardenburg. Onder de Franken behoorde het latere Brugge tot ten minste twee verschillende pagi. Deze tweeledigheid blijkt ook uit de ontstaansgeschiedenis van de oudste stadskerken Sint-Salvator en Onze-Lieve-Vrouw, respectievelijk gesticht circa 850 en 875 vanuit de rurale moederparochies Snellegem en Sijsele. Brugge, gelegen op of bij het punt waar de pagus Flandrensis (Vlaanderengouw), de pagus Rodanensis (Rodenburg- of Aardenburggouw) en de pagus Mempiscus (Mepsegouw) elkaar raakten, stond rechtstreeks in verbinding met de open zee en oefende de functie uit van handelsnederzetting.
De aanlegplaats of -steiger waaraan de stad zijn naam wellicht ontleend heeft, lag waarschijnlijk nabij het latere marktplein en de Burg. Omdat de zee zich terugtrok, zou deze aanlegplaats zich in de loop van de 9e eeuw naar het noorden verplaatsen, in de omgeving van de huidige parochie Sint-Gillis, gelegen buiten de eerste omwalling. Hier, op de linkeroever van de Reie, ten noorden van de Gouden-Handrei, ontwikkelde zich een nederzetting ("het Wijk") waar tot en met de 11e eeuw de belangrijkste havenactiviteiten zouden plaatsvinden. Vanaf 1134 verschoven deze geleidelijk naar de Spiegel- en de Kraanrei.
De pre-stedelijke kern (8e - 11e eeuw) Onder Karel de Grote (768-814) werd een kustverdediging tegen de Noormannen uitgebouwd. Zijn opvolger, Lodewijk de Vrome (814-840), zette deze politiek verder. Brugge was een uitgelezen doelwit voor de Noormannen omwille van de strategische ligging en zijn functie als gouwhoofdplaats, waar de vertegenwoordiger van het centrale gezag zetelde. Daarom werd in de loop van de eerste helft van de 9e eeuw, dus nog vóór het aantreden van de eerste met name bekende graaf van Vlaanderen, Boudewijn I (862-879), ter hoogte van het huidige Burgplein een versterkte burcht met aarden wallen en paalwerk gebouwd. De versterkte burcht was gelegen op het knooppunt van de mogelijk Romeinse weg Oudenburg-Aardenburg en de Reie. De burcht had een oppervlakte van circa 1 ha. Althans, dat was de officiële uitleg. Tegenwoordig vermoedt men dat Brugge een helershaven was waaraan officieel een einde diende gesteld te worden. De Bruggelingen slaagden er echter in om de graven systematisch om te kopen.
thumb|De zogenaamde 'funderingen' van de verdwenen Sint-Donaaskerk.