Paulus Antonius van Baer (Eindhoven, 22 oktober 1788 – Maastricht, 28 januari 1855) was een Nederlands rooms-katholiek priester. Hij was onder andere pastoor te Den Dungen en Waalwijk, en pastoor-deken van de Sint-Servaaskerk in Maastricht.

Van Baer verwierf bekendheid door zijn steun aan Elisabeth Gruyters bij de oprichting in 1837 van de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus ("zusters Onder de Bogen"). Deze groeide later uit tot een van de grootste, van oorsprong Nederlandse congregaties met vestigingen in meerdere landen.

Van Baers reputatie is besmet vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop in 1846 van vier 12e-eeuwse reliekhouders (de zogenoemde Brusselse pendanten van de Noodkist), die tot de belangrijkste voorwerpen uit de kerkschat van de Sint-Servaaskerk behoorden. Deze transactie, door Victor de Stuers gekwalificeerd als een "verkwanseling", leidde tot blijvend verlies van deze waardevolle kunstschatten voor Maastricht.

Levensloop Jeugd en vroege loopbaan Paulus Antonius van Baer werd op 22 oktober 1788 geboren in Eindhoven als zoon van burgemeester Joannes Petrus van Baar (1758-1807) en Helena Maria van Vlokhoven (1763-1800). Beide ouders stamden uit bekende Eindhovense burgemeestersfamilies, wat wijst op een herkomst uit de gegoede burgerlijke stand. Hij doorliep in Eindhoven de lagere en middelbare school en studeerde daarna aan het grootseminarie Nieuw-Herlaar in Sint-Michielsgestel. In 1811, midden in de Franse Tijd, werd hij in het Duitse Münster tot priester gewijd.

Hierna werkte hij als kapelaan in Asten en Schijndel. In 1821 werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jacobus de Meerderekerk in Den Dungen en in 1826 tot pastoor van de Sint-Janskerk in Waalwijk. Tevens was hij hoogleraar theologie en procurator aan het bisschoppelijk seminarie Nieuw-Herlaar.Ubachs/Evers (2005), p. 45: 'Baer, Paulus Antonius van'.'P.A. van Baer' op cbsisters.net, geraadpleegd 9 juli 2026.'Deken Paulus Antonius van Baer' op findagrave.com, geraadpleegd 9 juli 2026.

Pastoor-deken in Maastricht Op 5 februari 1836 volgde Van Baer de 84-jarige H.L. Partouns (1751-1840) op als pastoor-deken van de Sint-Servaaskerk in Maastricht. In die functie was hij tevens aalmoezenier van het militair hospitaal. Van Baer speelde een actieve rol bij de vernieuwing van het parochieleven. Volgens Munier (1992) en Evers (2012) haalde hij rigoureus de bezem door het verslofte parochiewerk. Hij duldde daarbij geen inspraak, introduceerde capabele Brabantse parochiegeestelijken in zijn dekenaat en streek menige lokale geestelijke tegen de haren in.Evers (2012), passim.

In deze periode werd de kerkelijke organisatie in Maastricht hervormd: na de Belgische Revolutie (1830) werd het dekenaat losgemaakt van het bisdom Luik en onder het apostolisch vicariaat 's-Hertogenbosch geplaatst met Henricus den Dubbelden als vicaris-generaal. Van Baer was bisschoppelijk commissaris van Den Dubbelden in Maastricht en zag zichzelf in 1840 als de aangewezen kandidaat voor het ambt van apostolisch vicaris van het nieuw op te richten vicariaat Limburg. Toen Rome echter koos voor Joannes Paredis, pastoor-deken te Roermond, was Van Baer teleurgesteld.Ubachs/Evers (2005), p. 155: 'Dubbelden, Henricus den'.

thumb|De Proosdij van Sint-Servaas, gezien naar het oosten, door Jan Brabant omstreeks 1860.

Zusters Onder de Bogen In 1837 stichtte hij samen met de uit Leut afkomstige Elisabeth Gruyters (1789-1864) de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus, beter bekend als de "zusters Onder de Bogen". De congregatie richtte zich op ziekenverpleging (onder meer in het gesticht Calvariënberg), lager onderwijs aan meisjes en de opvang van wezen. Van Baer ondersteunde Gruyters bij de organisatie, contacten met de bisschop en het verkrijgen van goedkeuring voor de statuten. In 1845 zorgde Van Baer voor een passende behuizing voor de zusters in de tegenover de Sint-Servaaskerk gelegen Proosdij van Sint-Servaas. De bescheiden gemeenschap uit de beginjaren groeide later uit tot een van de grootste, van oorsprong Nederlandse congregaties met vestigingen in meerdere landen.

Verkoop van de noodkistpendanten thumb|De noodkistpendanten in Brussel (2011) In 1846 verkocht Van Baer vier 12e-eeuwse reliekhouders (de zogenoemde Brusselse pendanten of noodkistpendanten) die bij het Servatiusschrijn hoorden. Deze rijk bewerkte, verguld koperen reliekkastjes behoorden tot de belangrijkste middeleeuwse schatten van de Sint-Servaaskerk. De opbrengst werd gebruikt voor de aanschaf van een nieuwe processiehemel, enkele liturgische gewaden en een mantel voor een Mariabeeld.De Stuers (1907), pp. 7-15.Kroos (1985), pp. 392-394.

De pendanten kwamen terecht, mogelijk via tussenpersonen, in de collectie van de Russische prins en kunstverzamelaar Peter Soltykoff. Bij de veiling van diens collectie in 1861 toonde het Maastrichtse kerkbestuur geen interesse in terugkoop. De voorwerpen belandden uiteindelijk in het Jubelparkmuseum in Brussel (het huidige Museum Kunst & Geschiedenis), waar ze tot de topstukken van Maaslandse kunst behoren. Onder deken F.X. Rutten werden in 1888 kopieën van de pendanten besteld om het ensemble in de door Cuypers gerestaureerde kerk weer te completeren.

In 1849, drie jaar na de transactie, gaf minister Mutsaers opdracht aan de Limburgse gouverneur Gericke van Herwijnen om onderzoek te doen naar de legitimiteit van de transactie. Deze gaf de opdracht door aan het Maastrichtse gemeentebestuur, die het kerkbestuur van de Sint-Servaas om opheldering vroeg. Het kerkbestuur, bij monde van Van Baer, rechtvaardigde zijn handelen door de pendanten af te doen als "onbestemde voorwerpen", "niets beduidende [...] houten kastjes" met een "denkbeeldige waarde". Het onderzoek werd kort daarna gestaakt.De Stuers (1907), pp. 12-14.

Al in 1872 werd de verkoop van de pendanten betreurd door de Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan Michaël Willemsen in hun baanbrekende studie Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht.Bock/Willemsen (1872), pp. 58-63. In 1907 publiceerde Victor de Stuers in de Publications de la Société historique et archéologique dans le duché de Limbourg een artikel waarin hij de toedracht bij de verkoop gedetailleerd uit de doeken deed en met name de rol van Van Baer daarin bekritiseerde als verkwanseling van onvervangbaar cultureel erfgoed. Uit De Stuers onderzoek bleek dat Van Baer al eerder waardevolle onderdelen van de kerkelijke inventaris had verkocht, waaronder een altaarstuk van het hoofdaltaar. De Duitse kunsthistorica Renate Kroos, auteur van een omvangrijke monografie over de Noodkist, noemde in 1985 de verkoop van de pendanten exemplarisch voor de geringe interesse voor kunst bij het gros van de katholieken tot ver in de 19e eeuw.

Overlijden en nalatenschap thumb|Bidprentje: deken Van Baer op zijn sterfbed Van Baer overleed na een langdurige ziekte in 1855 in Maastricht op 66-jarige leeftijd.Fruytier (1930), p. 39. Hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats Tongerseweg. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de begraafplaats bij de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Wolder, waar hij werd herbegraven tezamen met Elisabeth Gruyters en 224 andere "zusters Onder de Bogen".

Volgens Ingrid Evers (2012) was de dragende gedachte achter Van Baers hervormingswerk het ultramontanisme: een conservatieve stroming binnen de 19e-eeuwse katholieke kerk die sterk de nadruk legde op de autoriteit van de paus en Rome ("ultra montes"). Van Baer droeg bij aan een herleving van het katholieke kerkelijk leven in Maastricht, hoewel zijn autoritaire stijl en beslissingen zoals de verkoop van de noodkistpendanten ook kritiek opriepen. Zijn samenwerking met Elisabeth Gruyters had een blijvende positieve invloed op het onderwijs en de zorg in de stad Maastricht en daarbuiten.

Van Baer was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Bronnen, noten en verwijzingen

Categorie:Nederlands rooms-katholiek priester Categorie:Sint-Servaasbasiliek