De Republikeinse Partij van Georgië (Georgisch: , ), algemeen bekend als de Republikeinen (, ), is een pro-Europese liberale politieke partij in Georgië. De partij heeft haar oorsprong in 1978 en kwam voort uit de dissidentenbeweging. Ze is de oudste partij in het land.

De partij regeerde tussen 2012 en 2016 in een coalitie met Georgische Droom. Ze had een groot deel van haar bestaan een intellectueel imago en was niet effectief in het aantrekken van grotere groepen kiezers, ondanks dat ze geprofileerde leiders had die actief deelnamen aan het publieke debat. Haar politieke impact bleef daarmee beperkt. Vanaf 2025 kwam de partij in een feitelijke slaapstand.

Geschiedenis De Republikeinse Partij van Georgië vond haar oorsprong in het tijdperk Brezjnev, leider van de Sovjet-Unie in de jaren 70, en Edoeard Sjevardnadze, toenmalig leider van de Georgische sovjetrepubliek. Deze periode staat bekend als de Grote Stagnatie. In 1975 sloten tientallen Europese landen, waaronder de Sovjet-Unie, en de Verenigde Staten en Canada, de Helsinki-akkoorden. Deze beloofden de Sovjet-Unie territoriale integriteit in ruil voor de bescherming van mensenrechten in de Sovjet-Unie.

Aangemoedigd door deze ontwikkeling traden Georgische dissidenten naar de voorgrond. Zij kaartten de corruptie aan en streden voor meer mensenrechten in de Sovjet-Unie. Toen het centrale Sovjetgezag de Georgische taalrechten probeerde te reduceren, vonden in april 1978 grote demonstraties in Tbilisi plaats en ontstonden meerdere dissidente groeperingen.

Oprichting en ondergrondse activiteit Op 21 mei 1978 richtten dissidenten Vachtang Dzabiradze, de broers David en Levan Berdzenisjvili en Vachtang Sjonia de Republikeinse Partij van Georgië op. De partij was destijds een illegale politieke organisatie, die campagne voerde voor een onafhankelijk Georgië, voor politiek pluralisme, democratische instellingen, onafhankelijke media en markteconomie. Ze zette ondergrondse groepen op in steden als Tbilisi, Batoemi, Soechoemi, Zoegdidi, Tkiboeli en Tsjiatoera. De organisatie verspreidde in de beginperiode in eigen beheer de periodiek "Samreklo".

De KGB arresteerde in de periode 1983-1984 de vier oprichters en zette ze gevangen op beschuldiging van 'anti-Sovjet-campagne en propaganda' en het oprichten van de 'anti-Sovjet organisatie Republikeinse Partij'. De vier zaten hun volledige straf van enkele jaren uit in strafkolonies in Perm en Mordovië in de Russische Sovjetfederatie. Als gevolg van het perestrojka- en glasnost-beleid van Sovjet-leider Michail Gorbatsjov ontstond er in de tweede helft van de jaren 80 ruimte binnen de Sovjetrepublieken voor burgerbewegingen en politieke partijen, en kon de Republikeinse Partij uit de illegaliteit komen. In 1990 werd ze officieel als politieke partij geregistreerd.

Parlementaire oppositie Op 28 oktober 1990 vonden de eerste meerpartijenverkiezingen plaats voor de Opperste Sovjet van de Georgische sovjetrepubliek. De Republikeinse Partij vormde met zes andere partijen en bewegingen de verkiezingsalliantie Democratisch Georgië die iets minder dan twee procent van de stemmen kreeg, niet genoeg voor de kiesdrempel van vier procent. Bij de stemming voor de districtszetels wist de alliantie vier zetels te winnen, waarvan drie voor de Republikeinen. De partij had meer succes in de autonome republiek Adzjarië, waar oprichters David en Levan Berdzenisjvili vandaan kwamen. Onder de noemer "Adzjarië" kreeg de partij samen met het Volksfront twintig procent van de stemmen in de verkiezing voor de Hoge Raad op 23 juni 1991, goed voor acht zetels. De partij steunde de leider van het Volksfront Nodar Natadze in de eerste presidentsverkiezingen van Georgië in mei 199. Nationalist Zviad Gamsachoerdia won deze verkiezing, die ook het parlement controleerde met zijn Ronde Tafel — Vrij Georgië.

Na de gewelddadige staatsgreep tegen Gamsachoerdia kwam Edoeard Sjevardnadze in maart 1992 terug naar Georgië om internationaal legitimiteit te geven aan de tijdelijke regering van de coupplegers. Door de coup had Georgië als enige voormalig Sovjet-land nog geen algemene erkenning gekregen, ondanks dat de Sovjet-Unie al officieel opgehouden was te bestaan. De Republikeinen steunden de komst van Sjevardnadze niet, omdat hij eerder als leider van de Georgische sovjetrepubliek verantwoordelijk was voor de onderdrukking van dissidenten, waaronder van de Republikeinen. Op 11 oktober 1992 vonden nieuwe parlementsverkiezingen plaats, waaraan de Republikeinen meededen in de alliantie 11 Oktober. Het blok werd tweede met bijna elf procent van de stemmen en won in totaal 19 zetels. Hiervan vormden tien leden de Republikeinse fractie in de oppositie.

De partij was in deze periode actief betrokken bij het ontwerp van een nieuwe grondwet, en speelde hierin een belangrijke rol. Ze deed voorstellen voor een parlementaire republiek met een gedecentraliseerd bestuursmodel en stelde hervormingen voor van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. De partij was tegen het lidmaatschap van Georgië van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), waartoe Sjevardnadze in 1993 door Rusland gedwongen werd als wisselgeld voor de Russische militaire bijstand in het onderdrukken van rebellie in de west-Georgische streek Samegrelo.

In 1994 fuseerden de Republikeinse Partij, het Volksfront en Kartia 91 tot de Verenigde Republikeinse Partij in aanloop naar de parlementsverkiezingen van 1995. De fusiepartij kreeg minder dan twee procent van de stemmen, niet genoeg voor een zetel. De Republikeinen wonnen wel een district, waardoor ze met een zetel in het parlement bleef. Tegelijkertijd vond de presidentsverkiezing plaats, waarin de partij oppositiekandidaat Akaki Bakradze van het Ilja Tsjavtsjavadze Genootschap steunde. De Republikeinse Partij stapte niet veel later uit de fusiepartij en ging weer zelfstandig verder. Oprichter Dzabiradze legde zijn voorzitterschap neer en verliet de partij en de politiek, nadat hij onenigheid kreeg met zijn partijgenoten over fundamentele punten. Op het partijcongres van 1996 werd Ivliane Chaindrava tot voorzitter gekozen.

Georgië zonder Sjevardnadze De antipathie in de partij jegens Sjevardnadze was blijvend en kwam tijdens de verkiezingen van 1999 tot uiting met de campagneleuze "Noch Sjevardnadze, noch Abasjidze", een verwijzing naar zowel de president als de corrupte en autocratische leider van de autonome republiek Adzjarië. De partij was in deze verkiezingen onderdeel van de electorale alliantie Nationaal-Democratische Partij - Derde Weg onder leiding van de Nationaal-Democratische Partij, aangevuld met de splinter van de NDP 'Georgische Partij voor Industrie en Economische Ontwikkeling'. De alliantie kreeg ruim vier procent stemmen, te weinig voor de kiesdrempel van zeven procent. Ze wist ook geen districtszetels te winnen. De alliantie werd in 2001 ontbonden vanwege gebrek aan geld.

miniatuur|De leus "Georgië zonder Sjevardnadze" van de Republikeinse Partij werd een centraal thema in de verkiezingen van 2002 en 2003. Voor demonstraties tegen Sjevardnadze in het najaar van 2001 veranderde de partij hun anti-Sjevardnadze protestleuze in "Georgië zonder Sjevardnadze". Deze leus stond vervolgens centraal in de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2002. De Republikeinen hadden zich in de tussentijd aangesloten bij de Nationale Beweging onder aanvoering van de opkomende oppositieleider Micheil Saakasjvili. De combine werd tweede bij de gemeenteraadsverkiezingen in hoofdstad Tbilisi, achter de Arbeiderspartij. Dit luidde het einde van het tijdperk Sjevardnadze in, want zijn Burgerunie haalde in Tbilisi de kiesdrempel niet. Saakasjvili werd voorzitter van de gemeenteraad van Tbilisi en de Republikeinse leider David Berdzenisjvili werd voorzitter van de gezamenlijke fractie. Een jaar later resulteerde de frauduleus verlopen stembusgang voor het parlement in de Rozenrevolutie en het opstappen van Sjevardnadze.

Tijdens de herhalingsverkiezing van 28 maart 2004 won de alliantie Nationale Beweging - Democraten de meerderheid in het parlement. Hiervan waren zes zetels van de Republikeinse Partij. De partij speelde in dezelfde periode een rol in de demonstraties in Batoemi tegen de Adzjaarse leider Abasjidze, die in mei 2004 naar Moskou vluchtte. Kort daarna won de partij twee van de dertig zetels in de Hoge Raad van Adzjarië. Ondertussen boterde het niet meer tussen de Republikeinen en Saakasjvili over fundamentele democratische kwesties. De partij beschuldigde de autoriteiten van een frauduleuze stembusgang in Adzjarië. Andere frictiepunten betroffen grondwetswijzigingen die het functioneren van het parlement beperkten, het introduceren van "super-presidentieel autoritarisme" en de staatkundige status van de autonome republiek Adzjarië. Ook pogingen om "revolutionaire doelen te bereiken door mensenrechtenschendingen en de verwaarlozing van de rechtsstaat" waren onaanvaardbaar voor de Republikeinen.

De meer ideologisch gedreven Republikeinen botsten op dit punt met de revolutionair ingestelde Verenigde Nationale Beweging van president Saakasjvili. De partij concludeerde dat er "na de gezamenlijke en succesvolle strijd tegen de autoriteiten van Sjevardnadze en Abasjidze" geen noodzaak meer was om deel uit te maken van de coalitie Nationale Beweging. De Republikeinse parlementsleden verlieten de meerderheidsfractie en gingen in oppositie. In het najaar van 2005 vormden ze de fractie Democratisch Front met de Conservatieven en andere parlementsleden.

De partij kreeg daarna te maken met de schaduwkanten van Saakasjvili's regering. In maart 2006 trok het parlement het mandaat in van Valeri Gelasjvili, lid van de Republikeinse fractie, omdat hij nog actief betrokken zou zijn bij zijn bedrijf, wat tegen de wet ingaat. De oppositie zag dit als "onderdrukking van politieke tegenstanders". Gelasjvili was in juli 2005 namelijk ook al zwaar mishandeld, nadat hij in een krant beledigende opmerkingen had geuit over de president en zijn familie. Saakasjvili werd in 2018 in absentia veroordeeld tot zes jaar cel voor het opdracht geven tot deze mishandeling.

Nieuw leiderschap miniatuur|David Oesoepasjvili, partijleider 2005-2014.De Republikeinen voerden oppositie tegen de autoritaire trekken in de regering-Saakasjvili, en namen hierin een leidende rol onder de nieuwe partijleider David Oesoepasjvili. Hij bracht nieuwe gezichten de partij in, die net als hem een staat van dienst hadden in het maatschappelijk middenveld. Hij sprak bij zijn aantreden de ambitie uit om de partijorganisatie te hervormen, een gekend zwak punt van de partij.

Op het volgende partijcongres vier jaar later verklaarde de partij meer dan 4000 leden te hebben en nam het congres een nieuw statuut aan dat de hervormde partijstructuur vastlegde. In de tussenliggende jaren werd de partij lid van de Liberale Internationale (2006) en de Europese liberale koepelpartij ALDE (2007). Tevens kwam er een jongerenafdeling, de Jonge Republikeinen (), die zich internationaal affilieerde met de wereldwijde liberale jongerenorganisatie IFLRY en het Europese LYMEC.

Straatprotest miniatuur|De vlaggen van de 'Alliantie voor Georgië', die de partij in 2009 samen met de Nieuwe Rechtsen vormde. Na de arrestatie van voormalig defensieminister Irakli Okroeasjvili in september 2007 braken protesten uit waarin de Republikeinen de regering ter verantwoording riepen. De aanhoudende oppositieprotesten werden in november 2007 met politiegeweld uiteengeslagen, waarna president Saakasjvili vervroegde presidentsverkiezingen voor januari 2008 uitriep. De Republikeinen steunden hierin de gezamenlijke oppositiekandidaat Levan Gatsjetsjiladze, die tweede werd. De partij betwistte de herverkiezing van Saakasjvili en stelde bewijs te hebben van fraude bij het verwerken van de tellingen.