Het markizaat Veere of markizaat van Veere en Vlissingen was een gebied rondom de Zeeuwse stad Veere op Walcheren. Bij dit markizaat wordt meestal de spelling gebruikt met /i/, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het markiezaat Bergen op Zoom. Soms wordt ook de genitiefvorm met /van/ gebruikt. Het markizaat werd opgericht op 21 oktober 1555 en heeft bestaan tot 1795. De koning der Nederlanden voert nog steeds de historische titel markies van Veere en Vlissingen.

Ligging Het markiezaat strekte zich uit over delen van de huidige gemeenten Veere, Vlissingen, en Middelburg op het voormalige eiland Walcheren. Bij de verheffing tot markizaat in 1555 omvatte het de vanaf 1574 'goede' steden Veere en Vlissingen, de smalsteden en hoge heerlijkheden Westkapelle en Domburg, de kastelen Zandenburg, Popkensburg en Duinbeek en verschillende ambachtsporties in de ambachtsheerlijkheden Zanddijk, Serooskerke, Kleverskerke, Koudekerke, Biggekerke, Krommenhoeke, Hoogelande, Wellinkwerve, Sint Janskerke, Ser Poppekerke, Westkapelle-Buiten en Woitkensdorp, Boudewijnskerke, Oud-Vlissingen en Welzinge.

Voorgeschiedenis Heren van Borssele Ontstaan macht In het Zeeland van de 13e eeuw konden lenen zogenaamde kwade of rechte lenen zijn. Deze kwade zwaardlenen vielen terug aan de leenheer als er geen mannelijke nakomelingen waren. Indien er meerdere zonen waren, werd de leen verdeeld onder deze nakomelingen. De Zeeuwse adel kwam hiertegen in opstand, omdat de lenen hierdoor te versnipperd raakten. De heren van Borselen hadden enige tijd op slot Zandenburg gewoont, en in de schaduw van dit kasteel groeide de plaats Veere. Wolfert I van Borselen had in 1280 Veere en Zanddijk in leen gekregen van graaf Floris V. In 1280 had hij ookal de schorren van Vrouwenpolder aangekocht om in te laten polderen en het kasteel Zandenburg laten bouwen In 1282 droeg Wolfert al zijn lenen op aan de gravin van Holland, waarna hij het als goed of onversterfelijk leen terugkreeg. Dit leen zou de basis vormen voor de nakomelingen van Wolfert van Borselen. Gedurende de 14e eeuw zou Veere uitgroeien van een vissersdorpje met een letterlijk veer tot een belangrijke handelsstad.

In de 14e eeuw kwam het versterkte Huis Duinbeek onder Oostkapelle in het bezit van de heer van Veere. Via dezelfde constructie als in 1282 werd ook dit bezit, nu door Wolfert III van Borselen, in 1351 opgedragen aan graaf Willem V van Holland om het vervolgens als goed Hollands leen weer te ontvangen. Ook werd bepaald dat het huis Duinbeek als leen nooit van kasteel Zandenburg (en Veere en Zanddijk) gescheiden kon worden.

thumb|Hendrik II van Borselen, heer van Veere van 1409 tot 1477. Schilderij uit 1473. thumb|Wolfert VI van Borselen, heer van Veere van 1477 tot 1486. Schilderij uit 1473. thumb|Beeld van Anna van Borsselen, vrouwe van Veere van 1486 tot 1518, op het Stadhuis van Veere

Uitbreiding macht en bezit In de vroege 15e eeuw vormden verschillende takken van het geslacht Van Borssele, onder leiding van Frank van Borssele, heer van Sint-Maartensdijk, en Hendrik II van Borselen, heer van Veere, de machtigste clan onder de Zeeuwse edelen. Dankzij de strijd om het grafelijke gezag in Holland en Zeeland en Henegouwen tussen Jacoba van Beieren en Filips de Goede, konden de Van Borsseles hun gezag uitbreiden. De Van Borsseles kozen de kant van Filips en met hun steun ging het Graafschap Zeeland vanaf 1425 deel uitmaken van de Bourgondische Nederlanden. Filips strijd met Jacoba zou echter nog tot de Zoen van Delft in 1428 duren, en in deze eerste jaren moest Filips dus Frank en Hendrik aan zijn zijde proberen te houden. In 1426 werden beide Van Borsseles door Filips benoemd tot kapiteins van Zeeland en in 1427 werd Hendrik beleend met alle verbeurdverklaarde bezittingen op Zuid-Beveland van gevluchte aanhangers van Jacoba. De relatie met Filips verslechterde even wanneer Frank van Borssele in 1432 in het geheim met gravin Jacoba trouwde, maar in 1433 nadat Jacoba afstand had gedaan van al haar rechten, herstelde het vertrouwen tussen Filips en Frank en dus de Van Borsseles.

Vanaf 1433 werd Hendrik beleen met het verbeurd bezit van de ter dood veroordeelde Bartholomeus van Biggekerke; grote delen van de ambachtsheerlijkheden Haaimanambacht, Welzinge, Koudekerke, Biggekerke en Wellinkwerve. Ook in Holland kreeg Hendrik voet aan de grond. In 1429 werd hij door Filips de Goede benoemt tot houtvester van de Haarlemmerhout. Vanuit deze functie bouwde hij ook in deze omgeving een positie op. Zo had hij in 1434 Huis ter Kleef verworven met de heerlijkheden Sloten, Osdorp en Amstelveen. In het buitenland stond hij vooral bekend door zijn zeevloot. In samenhang met de nauwere handelscontrachten tussen Veere en Schotland, wist hij in 1444 te regelen dat zijn zoon Wolfert VI van Borselen met Maria Stuart trouwde, de zus van koning Jacobus II van Schotland. In 1470 intervenieerde hij zelfs als opperbevelhebber van de Bourgondische vloot in de Engelse Rozenoorlogen.

Onder graaf Filips de Goede en later Karel de Stoute kochten Hendrik en later zijn zoon Wolfert stelselmatig ambachtsporties op die aan de grafelijkheid vervielen wanneer een ambachtsheer overleed zonder (klein)zonen na te laten. Ook kochten ze direct ambacht van andere ambachtsheren. Via deze weg kwamen grote delen van Ser Poppekerke, Westkapelle-Buiten, Boudewijnskerke, Serooskerke, Kleverskerke, Gapinge op Walcheren in hun bezit. In totaal was het ambachtsbezit van de Heren van Veere tussen 1429 en 1482 verviervoudigd.

Vlissingen, Westkapelle en Domburg In 1427, in het licht van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, had Hendrik een toezegging van belening gekregen van graaf Filips de Goede voor de steden Vlissingen, Westkapelle en Domburg, die voorheen in bezit waren geweest van Lodewijk, de Bastaardzoon van oud-graaf Willem VI van Holland. Na de Zoen van Delft in 1428 werd Lodewijk echter weer in zijn rechten hersteld, en werd de toezegging aan Hendrik kennelijk genegeerd. Desondanks liet Hendrik zich in de jaren 1438-1441 in tal van oorkonden aanduiden als heer van Veere, Zandenburg én Vlissingen. Na de dood van Lodewijk in 1440 verzocht Hendrik graaf Filips de Goede hem alsnog in het bezit van de drie steden te stellen. Filips ging hier niet op in en beleende zijn bastaardzoon Cornelis van Bourgondië met Vlissingen, Westkapelle en Domburg. Hendrik zijn aanspraken werden afgekocht voor 1000 pond groot. Ook na het overlijden van Cornelis in 1452 kwam Hendrik net in aanmerking. Filips verpachtte Vlissingen, Westkapelle en Domburg voor negen jaar aan Adriaan van Borselen van Brigdamme, een verre achterneef van Hendrik. In 1453 kreeg Hendrik alsnog zijn zin. Filips de Goede verpandde - om geld te verkrijgen voor de onderdrukking van de Gentse Opstand - voor 17 jaar Vlissingen, Westkapelle en Domburg aan Hendrik voor 12000 gouden schilden. Hierdoor sloot hij, met Veere erbij, Middelburg van drie zijden af van de zee en controleerde de rede van Walcheren en de havens van Middelburg en Arnemuiden. Adriaan van Borselen van Brigdamme zou de drie steden voor het resterenden deel van de negen jaar in pacht blijven houden, enkel nu van de heer van Veere in plaats van de graaf. Van het terugkopen van de steden kwam het echter nooit meer, gravin Maria van Bourgondië zag in 1477 helemaal af van haar recht en beleende Hendriks zoon en opvolger Wolfert VI met Vlissingen, Westkapelle en Domburg als onversterflijk erfleen.

Met Vlissingen, Westkapelle en Domburg beheersten de heren van Veere het overgrote deel van de Walcherse Noordzeekust. Bovendien waren Vlissingen en Westkapelle aanzienlijke Vissersplaatsen. Door ook Brouwershaven op Schouwen in bezit te krijgen konden Hendrik en Wolfert een grote rol spelen in de haringhandel, de vrachtvaart tussen Keulen en Engeland en de handel naar het Oostzeegebied.

Val van Wolfert VI en huwelijk Anna De laatste jaren van Hendrik II als Heer van Veere en vanaf 1474 de eerste jaren van Wolfert VI vormden een hoogtepunt qua omvang van bezit en macht van de Van Borsseles. Wolfert was in 1466 al door graaf Filips benoemd tot Admiraal van Holland, Zeeland, Artesië en Boulogne. Nadat de volgende graaf Karel de Stoute in 1477 onverwacht sneuvelde, werd Wolfert direct een vooraanstaand adviseur van de nieuwe gravin Maria van Bourgondië. Nog datzelfe jaar werd hij benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. In 1478 werd hij ook nog benoemd als ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Als stadhouder kon Wolfert een nieuwe opleving van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten echter niet te baas, en omdat hij te veel de kant van de anti-Bourgondische Hoeken had gekozen, werd hij in 1480 als stadhouder ontslagen. thumb|Filips van Bourgondië-Beveren, heer van Veere van 1486 tot 1498. Schilderij uit 1473. Tegelijkertijd ontwikkelde er een nog veel groter probleem voor Wolfert. Wolfert had geen zonen op wie zowel zijn goede als kwade lenen over zouden gaan. Met Maria Stuart van Schotland had hij twee zonen die beiden vroeg overleden. Met zijn tweede vrouw, Charlotte de Bourbon, had hij vier dochters en een als kind overleden zoon. Het vinden van geschikte huwelijkspartners voor, met name de oudste dochter Anna, was dus van groot belang voor het het ten goede komen van het familiebezit. In eerste instantie werd door Anna van Bourgondië haar stiefzoon Filips van Kleef voorgedragen als kandidaat. Anna van Bourgondië was een bastaardkind van Filips de Goede en getrouwd geweest met Adriaan van Borselen van Brigdamme, later hertrouwde ze met Adolf van Kleef-Ravenstein, beide huwelijken waren kinderloos. Als weduwe van Adriaan van Borselen, was ze in bezit van een groot aantal ambachtsporties op Walcheren, waar ze het Kasteel van West-Souburg bewoonde. Na de dood van Adriaan van Borselen maakte Hendrik II aanspraak op grote delen van het nalatenschap, hetgeen leidde tot enkele langdurige processen bij de Grote Raad van Mechelen, die zich ook tot na Hendriks dood zouden voortslepen. Uiteindelijk kwam het tot een oplossing in de vorm van een huwelijkscontract tussen Wolferts dochter Anna en de stiefzoon van Anna van Bourgondië, Filips van Kleef in 1481. Door de politieke ontwikkelingen in de volgende jaren zou het echter nooit tot een huwelijk komen. In 1482 stierf namelijk gravin Maria van Bourgondië, haar zoon en opvolger Filips de Schone was op dat moment nog maar drie jaar oud en dus moest er een regent komen. Door de Staten-Generaal werd Maria's echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk als voogd en regent erkend. In het Graafschap Vlaanderen kwam hier echter flink verzet tegen. Er werd een eigen regentschapsraad opgericht waarin vele belangrijke edelen zaten. Leider van deze raad was Adolf van Kleef, de beoogde schoonvader van Anna van Borselen. Verder maakte onder andere Filips van Bourgondië-Beveren, zoon van Anton van Bourgondië, ook bastaard van Filips de Goede en Wolfert VI van Borselen zelf deel uit van deze raad. Na twee jaar waren alle onderhandelingen mislukt en was gewapende strijd onafwendbaar.