thumb|Het standbeeld van Sint-Dimpna van het OPZ Geel. De gezinsverpleging in Geel is een bijzonder psychiatrisch zorgmodel. Het model vindt zijn oorsprong in de verering van Sint-Dimpna, patroonheilige van Geel en beschermheilige tegen geestesziekten.

Gezinsverpleging is een vorm van pleegzorg waarbij een gezin een persoon met een psychische stoornis of kwetsbaarheid opvangt in huis. Velen beschouwen dit als een succesvolle behandelmethode voor de patiënten omdat dit de integratie in de maatschappij bevordert. De Geelse gezinsverpleging rust op drie pijlers: de pleeggast of patiënt die in een pleeggezin een veilig opvangnet ervaart, de Geelse gemeenschap die zich open en tolerant opstelt en het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum (OPZ Geel) dat een professionele, medische omkadering garandeert.

Er wordt naar Geel verwezen met de term 'barmhartige stede' vanwege deze pijlers.

Geschiedenis Ontstaan thumb|De onthoofding van Sint-Dimpna. De gezinsverpleging in Geel ontstond uit de legende en cultus van de heilige Dimpna. Volgens de overlevering was Dimpna een 7e-eeuwse Ierse prinses die na het weigeren van verschillende huwelijksaanzoeken van haar vader samen met de priester Gerebernus naar het Europese vasteland vluchtte. Zij kwam terecht in de Geelse parochie Zammel waar zij armen en behoeftigen hielp, tot haar vader haar vond en haar in een vlaag van waanzin onthoofdde. Dimpna werd heilig verklaard omdat ze zich tegen haar vader verzette terwijl die “door de duivel bezeten was”. Zo werd ze de beschermheilige van epileptici en geesteszieken.

Middeleeuwen thumb|De Ziekenkamer van Geel. In de 12de eeuw gaf bisschop Guy I van Laon de opdracht om de legende van Sint-Dimpna neer te schrijven in een vita. In die periode begonnen ook bedevaarders naar Geel te trekken om te bidden tot de heilige Dimpna. Aanvankelijk werd de heilige aanroepen voor allerlei kwalen, maar doorheen de tijd in het bijzonder voor geestesstoornissen. Gedurende de middeleeuwen werden psychische stoornissen beschouwd als een straf van God voor het zich inlaten met de duivel. Pelgrims hoopten dat door het langdurige bidden en het volgen van een negendaags ritueel, het noveen, het kwade zou verdwijnen. Dit vond plaats in de Sint-Dimpnakerk, gebouwd in de 15e eeuw. Na negen dagen werd nagegaan of de duivel verdwenen was. Als dit niet het geval was, herhaalde men de cyclus van negen dagen nog eens. In tussentijd vertoefden de bedevaarders in de zogenaamde ‘siec-caemer’. Deze ziekenkamer bestond uit vier bedden en was tussen 1458 en 1483 aan de zuidkant van de kerktoren gebouwd. Het verblijf in de ziekenkamer was verplicht, omdat dit de patiënt rust bezorgde.

Genezingen werden genoteerd in het Liber Innocentium (of het Boek Der Onnozelen) waarin de persoonlijke gegevens van de patiënt werden opgenomen. In het boek stonden genezingen die aan Sint-Dimpna werden toegeschreven, maar het had vooral een juridische functie.

Tot 1795 Door een grote toestroom van bedevaarders was er in de kerk niet voldoende plaats om alle personen onderdak te bieden. Een verblijf in de kerk was ook vaak te duur voor hen. Voor deze pelgrims moest een andere oplossing gezocht worden. De pelgrims konden tegen betaling of het uitvoeren van huishoudelijke taken bij de burgers die rond de kerk woonden, verblijven. Wanneer de personen met een psychische stoornis na hun noveen genezen waren, konden ze met hun familie naar huis. Maar wanneer dit niet het geval was, verzocht de familie soms dat de persoon bij het opvanggezin kon verblijven tegen betaling. Zo konden de pelgrims toch hun rituelen herhalen om hopelijk tot een genezing te komen. Het is zo dat de gezinsverpleging tot ontwikkeling kwam.

De bepaling van welke pelgrim naar welk gezin ging, gebeurde door de geestelijken van de kerk. De pastoor en de deken van de kerk legden dit in 1548 contractueel vast. Voor de toewijzing van de zieken aan de gezinnen keken ze vooral naar het gedrag, getuigenissen van de omgeving en naar de mate waarin de zieke vastgebonden zou moeten worden. De opvang van een zieke mocht het gewone gezinsleven niet te hard verstoren. In de 15e en 16e eeuw zouden er 200 mensen opgevangen zijn geweest. Vanaf de 17e eeuw begonnen ook andere wijken in Geel de pelgrims op te vangen.

Vanaf nu werden alle pelgrims genoteerd in het Liber Innocentium. Hieruit blijkt dat er tussen 1687 en 1797 vierduizend bedevaarders naar Geel reisden.

De redenen dat de Gelenaren de pelgrims opvingen, waren vooral zodat zij een pauselijke aflaat konden ontvangen en omdat ze hierdoor extra werkkrachten in huis hadden. Dit zou een positieve invloed hebben gehad op het welzijn van de geesteszieken en de Geelse economie. Het Geelse model was een voorloper op arbeidstherapie.

Tot 1800 had de opvang van geesteszieken een religieuze motivatie. De kanunniken van de Sint-Dimpnakerk stonden in voor de organisatie van de gezinsverpleging. Dit ging van de organisatie van de rituelen tot het toewijzen van kostgangers aan gezinnen en de betaling van de kostgelden. Van geneeskunde was er op dat punt nog geen sprake. Mistoestanden in de zorg voor de geesteszieken kwamen vaak voor, maar ook waren er ‘gevaarlijke’ geesteszieken. In 1676 kwam een plaatselijk reglement waarin de kostgevers van gevaarlijke zieken verantwoordelijk werden gesteld voor de schade die de zieken konden aanrichten. Deze regels verplichtten de pleeggezinnen om deze personen op een manier te boeien zodat ze geen kwaad konden aanrichten. Vanaf 1747 weigerden ze deze patiënten in de kerk waar ze speciaal voor naar Geel kwamen. Men zat vooral in met het welzijn van de Gelenaars. De gevolgen voor de patiënt waren geen prioriteit.

Vanaf de 18e eeuw kwam er een meer humane aanpak naar voren. De overheid begon zich meer over het welzijn van de zieken te bekommeren.

Na 1795 Vanaf 1795 viel Geel onder Frans bewind. De Fransen wilden de gezinsverpleging in Geel afschaffen en vervangen door gesloten instellingen. In 1797 sloten ze de Sint-Dimpnakerk, waardoor het aantal kostgangers verminderde. Het noveen vervingen ze met een andere plechtigheid waarbij de kostganger bij aankomst in de gemeente kon bidden in de kerk. De kanunniken stonden niet meer in voor de organisatie van de zorg. Directeurs namen dit over. De directeurs waren Geelse burgers die voor de armenbesturen van andere steden een gepast gezin voor de patiënt zochten, kostgeld uitbetaalden en de administratie in orde hielden. Door een gebrek aan controle ontstonden er echter misbruiken. Sommigen hielden een deel van het kostgeld voor het gezin achter.

Oprichting van de kolonie Door ontwikkelingen in de psychiatrie kwamen er veel veranderingen in de omgang met personen met een psychische stoornis. Door ‘moral treatment’ te introduceren, ging men meer voor de mensen zorgen. Het uitgangspunt was dat de zieken zo min mogelijk dwang mochten ervaren terwijl ze in gestichten verbleven. Deze gestichten lagen meestal in het platteland. Uit de morele behandeling van patiënten ontstonden verschillende soorten therapieën, zoals de badtherapie. Deze bestond eruit dat de patiënt, voornamelijk als kalmeringsmiddel, enkele dagen in een lauw bad werd gelegd. De Belgische aanhangers van moral treatment, zoals dokter Jozef Guislain, lieten zich negatief uit over de toestanden die zich in de instellingen voordeden. In Geel was er in 1838 een medische dienst opgericht maar door het slechte functioneren kwam de eerste psychiater, dokter Parigot, in 1848 naar de gemeente. De mistoestanden in de gesloten instellingen leidden tot de uitvaardiging van de krankzinnigenwet in 1850. Hierin benadrukte men het belang van persoonlijke vrijheid en verzorging en bescherming van mensen met een psychische stoornis. In 1851 vaardigde men een bijzonder reglement dat het model in Geel officieel erkende. In het reglement beschreef men het oprichten van een infirmerie met observatiecellen, de plichten van de opvanggezinnen, het plaatsen van de geesteszieken enzovoorts. Dit gebouw kwam er in 1861. Dit leidde tot de oprichting van 'de Staatskolonie van Geel voor de vrije Gezinsverpleging van Gemoeds- en Geesteskranken' in 1852. Dokter Parigot kreeg de rol geneesheer-directeur toebedeeld. De kolonie bestond uit een binnen- en een buitendienst. De binnendienst stond in voor de toedeling van kostgangers en de medisch-psychiatrische behandeling. De buitendienst waren de pleeggezinnen.

Tussen 1850 en 1950 thumb|Hoofdgebouw OPZ Geel. De opvang van personen met een psychische stoornis was nu wettelijk geregeld. Hierdoor kwam er meer structuur en organisatie in de Geelse gezinsverpleging. In 1861 bouwde Adolphe Pauli op de straat "Pas" een instelling voor de geesteszieken. Dit staat nu bekend als het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum. Oorspronkelijk diende dit als een tijdelijke verblijfplaats voor de zieken, voordat deze bij gezinnen werden geplaatst. Pauli bouwde het gebouw in lijn met de morele opvattingen die toen gangbaar waren over de verzorging van geesteszieken. Het gebouw is symmetrisch gebouwd met veel binnenplaatsen en tuinen. Hij streefde naar het bouwen van een rustige omgeving voor de patiënten. Geel werd opgedeeld in verschillende secties, met aan het hoofd van elke sectie een dokter. Samen met de wachters hield de dokter een oogje in het zeil. Ze zorgden voor vervoer van zieke patiënten en de opsporing van ontsnapte patiënten. De patiënten die bij kostgevers verbleven konden medische en therapeutische begeleiding krijgen vanuit de instelling. De lokale overheid kreeg meer inspraak in de Geelse gezinsverpleging. De patiënten waren opgedeeld in drie categorieën: de niet-hygiënische (gateaux), de demi-gateaux en de zindelijken. Naarmate de patiënt meer zorg nodig had, stegen de kostgelden die de gezinnen ontvingen. De gezinnen waren opgedeeld in twee types: de hôtes die de rijkere patiënten opvingen en de nourriciers die de patiënten ten laste van de gemeenten van herkomst opvingen.

In de 19e eeuw was psychiatrische zorg vooral gebaseerd op aderlatingen en het plaatsen van bloedzuigers. Op kalmeringsmiddelen na, bestonden medicatie en therapieën nog niet echt. In Geel gebruikten ze weinig medicatie of controversiële behandelmethodes. De basis van het Geelse model was dat de mensen in een huiselijke omgeving konden verblijven en van daaruit konden integreren in de maatschappij. De enige vorm van therapie die geïntegreerd was in Geel was de arbeidstherapie. Nadien kwamen er meerdere therapie- en medicatievormen zoals insulinekuren. Deze waren niet altijd even humaan.

Vanaf de 19e eeuw vergaarde het Geelse model bekendheid over heel de wereld. Voorstanders van het fenomeen haalden aan dat het positief was dat de patiënten in een huiselijke omgeving geïntroduceerd werden en konden deelnemen aan de samenleving. Tegenstanders gaven te kennen dat er veel gebruik was van dwangmiddelen en een gebrek aan medisch toezicht. Sommigen zeiden zelfs dat patiënten een slechte invloed konden hebben op de Gelenaars. Vanaf deze periode begonnen ze meer in te zetten op de wetenschap waardoor de geneeskundigen meer invloed kregen op de pleeggezinnen. Hierdoor verbeterde de verzorging van kostgangers. Op 174 plaatsen poogde men het Geelse model na te bootsen, maar slechts op enkele plekken was deze kopie succesvol. Een plek waar de gezinsverpleging in de 19de eeuw werd geïntroduceerd en waar het vandaag net als in Geel nog bestaat is in het Waalse Lierneux.

Deels door de overbevolking in gesloten instellingen was er een grote toestroom van personen met een psychische stoornis naar Geel. Tegen het einde van de jaren 1930 sprak men van 3700 patiënten in gezinsverpleging. Veel van de patiënten kwamen uit andere landen mede dankzij het feit dat Geel nu een internationale bekendheid had verkregen.