De term solarisatie in de analoge fotografie wordt gebruikt om een effect van toonomkering te beschrijven bij extreme overbelichting van een fotografische film in de camera. Zeer waarschijnlijk werd het effect voor het eerst waargenomen in landschapsfoto's waarop ook de zon te zien was. In plaats van de zon als de lichtste plek in de opname, was de zon een grijze of zelfs zwarte schijf. 's opname van een winters landschap, The Black Sun 1955The Black Sun 1955, was het gevolg van het bevriezen van de sluiter van zijn camera in open positie, hetgeen een extreme overbelichting veroorzaakte. Ansel Adams creëerde een foto met een gesolariseerde zon door overbelichting, getiteld Black Sun, Owens Valley, California, 1939.

Definitie Wanneer een fotografisch gevoelig materiaal, geschikt voor solarisatie (hieronder), wordt belicht met aktinische straling (in de meeste gevallen zichtbaar licht, maar kan ook infraroodstraling, ultraviolette straling en röntgenstraling) dan zal de daaruit volgende zwarting na ontwikkeling niet voortdurend stijgen, maar een maximum bereiken en dan weer dalen met meer intensieve belichting. In het algemeen wordt dit fenomeen alleen dan solarisatie genoemd indien het door ononderbroken belichting is veroorzaakt en niet door pauzes of dubbele belichting. De belichting die nodig is om een solarisatie te verkrijgen, kan groter worden gemaakt door de belichtingstijd te verlengen of door de intensiteit te verhogen.

Geschiedenis Solarisatie was reeds bekend bij Louis Daguerre en het effect is een van de vroegste bekende effecten in de fotografie. noemde als eerste het overbelichtingseffect solarisatie. J.W.F. Herschel observeerde reeds in 1840 de omkering van negatief naar positief door extreme overbelichting. Ook observeerde het fenomeen in 1842 (zonder het als zodanig te herkennen) toen hij een fotografisch beeld van de zon maakte. Het resultaat werd als niet geslaagd beschouwd omdat de zonneschijf (het beeld van de zon op de daguerreotypieplaat) overbelicht en gesolariseerd was. L. Moser rapporteerde in 1843: "... dat het licht in de camera obscura eerst het welbekende negatief beeld veroorzaakt; met voortgezette belichting het beeld in een positief beeld omslaat.... en recentelijk heb ik werkelijk soms een derde beeld verkregen dat negatief was. In 1880 had P. Janssen in het sterkste zonlicht (m.b.v. refractoren) een herhaling van het solarisatiefenomeen verkregen. De verschillende fasen waar het beeld doorheen gaat zijn: (1) negatief; (2) neutrale toestand (volledige intensivering); (3) positief; (4) een tweede neutrale toestand, waarin de plaat in de ontwikkelaar gelijkmatig licht wordt; (5) een negatief van de tweede orde; (6) een derde neutrale toestand, met gelijkmatige intensivering.

In de digitale fotografie treedt het solarisatie-effect niet op. Ook de technisch moderne films van de laatste 50 jaar zullen moeilijk te solariseren zijn aangezien de moderne productieprocessen het solarisatie-effect onderdrukken.

Verklaring van het effect In de literatuur werden aanvankelijk over twee theorieën gesproken, namelijk de regressietheorie en de coagulatietheorie. Volgens de regressietheorie ontwikkelen de zilverkiemen zich na overbelichting terug tot zilverhalogenide en verliezen ze zo hun vermogen tot ontwikkeling. Dit proces kan zich meerdere malen herhalen, waardoor de zwartingskromme, ook wel gradatiecurve genoemdD. Boer, P. Heysse Sr. en L. Roossens, Foto en Film Encyclopedie, Amsterdam-Brussel, Focus Elsevier, 1971, derde druk, blz. 266, ., meer dan één maximum kan vertonen. Door een halogeenacceptor kan de solarisatie worden opgeheven, wat de regressietheorie ondersteunt.Vgl. Ewald Gerth, Analytische Darstellung der Kinetik des Keimaufbaus beim photographischen Prozeß (pdf), 1971, p. 83 e.v. In tegenstelling hiertoe staat de coagulatietheorie die veronderstelt dat de zilverkiemen slechts tot een bepaalde grootte als ontwikkelbare kiemen kunnen fungeren. Door sterke belichting (in het solarisatiegebied) coaguleren zij tot grotere structuren die niet meer als een latent beeld fungeren.J. Egger, E. Klein & E. Moisar, "Das Verhalten von stark solarisierenden Schichten bei Kombination von Kurz- und Langbelichtung", in: Zeitschrift für wissenschaftliche Photographie, Leipzig: Barth, Bd. 57, 1963, p. 143. In 1929 speculeerde H. Frieser over de mogelijkheid van een broomatoommigratie in de vorm van Elektronendeficiëntie, oftewel een gatenstroom.J. Steketee, Inleiding tot de wetenschappelijke fotografie, Medische Faculteit Rotterdam, 1968, derde druk, p. 10

Het fenomeen solarisatie is nog niet volledig verklaard, maar alom wordt aangenomen dat zowel regressie als coagulatie daarvoor verantwoordelijk zijn. Recente onderzoeken leiden tot een model dat het verschijnen van een latent beeld in het binnenste van de korrel als verklaring voor het optreden van het omkerings-effect opvat.

Categorie:Fotografie