Uit ons Krijtland is een boek, geschreven door Eli Heimans (1861-1914) en voor het eerst uitgegeven in 1911. Het bevat een beschrijving van een deel van het "Krijtland", het landschap in een gebied van ongeveer 12 km2 in het Boven-Geuldal rondom het Zuid-Limburgse dorp Epen en van de daar voorkomende levensgemeenschappen van planten en dieren in relatie tot de bodem. Hoewel het boekje door hemzelf werd aangeduid als “bestemd voor den vacantie-tijd van natuurvrienden”Heimans 1911, p. 1 en het een luchtige schrijfstijl heeft, worden er toch een aantal in die tijd nog weinig bekende zaken voor het voetlicht gebracht. Het beschrijft "het verband tusschen het leven van plant en dier en den grond, waarop en waarvan zij leven; daardoor treedt de studie van het landschap als geheel op den voorgrond, en meteen komt de geschiedenis van dien grond op het programma. Dientengevolge zijn er in dit boekje heel wat bladzijden besteed aan de historische geologie van Nederland.
Toch bedoelt het geenszins een bijdrage te leveren tot de geologie van nederland; het beoogt niets dan de belangstelling te wekken van de leeken, en vooral van de jongelui die al van natuurstudie houden, voor dit zoo belangwekkende, zoo belangrijke en toch bij ons zoo verwaarloosde onderdeel der natuurlijke historie."Heimans 1911, p. 1/2
In de oorspronkelijke versie waren bij het boekje een kaart en een aantal stereoscoopplaten gevoegd, die waren gemaakt door Heimans' zoon Jacob, de latere hoogleraar botanie aan de Universiteit van Amsterdam.
Bibliografische gegevens (1911) - Uit ons Krijtland. Amsterdam : W. Versluys. De eerste druk werd uitgegeven “met een gekleurde schetskaart, teekeningen van den schrijver, foto's en 12 stereoscoopplaten van J. Heimans.” 215 pgs.WorldCat entry voor de eerste druk. Anno 2016 kostte een compleet exemplaar van de eerste druk, met kaart en stereoscoopplaten antiquarisch €125 en een exemplaar zonder platen €45 Het boekje had een linnen omslag en een foto van de bloemen en vruchten van de wolfskers Atropa belladonna werd er met de hand opgeplakt.
Het mag opmerkelijk genoemd worden dat het boekje pas meer dan zestig jaar later voor het eerst werd herdrukt:
: fotografische herdruk. [S.I. : Vroom en Dreesmann].herdruk 1974:WorldCat entry ; 1975 min of meer idem WorldCat entry
Enkele jaren later verscheen opnieuw een herdruk, deze keer uitgegeven door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland ter gelegenheid van de 'Actie Geuldal'. 1977: fotografische herdruk. 's-Graveland : Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Met een nawoord van J. Heimans.herdruk 1977: WorldCat entry
Heimans en Epen Behalve een grote interesse in botanische en zoölogische onderwerpen, ontwikkelde Heimans ook een bijzondere belangstelling voor geologische zaken. In 1909 schreef hij in het tijdschrift De Levende Natuur een stukje over 'Gesteenten'. “Dit artikel werd gevolgd door een grootere studie over ‘Kalkzoekende en kalkmijdende planten’ waarin hij niet alleen de betrekking behandelde tusschen plantengroei en bodemgesteldheid, maar ook een prachtige les gaf over de gesteentelagen en plooiingen in het bergland langs de Maas in de buurt van Dinant.”Thijsse 1929, p. 26; zoek artikel in DLN
Zijn geologische naspeuringen brachten hem ook naar Zuid-Limburg. Hij streek met zijn gezin in de schoolvakanties neer in Epen, en ontdekte het grote geologische belang van de omgeving van dit dorpje aan de Geul. Nergens in Nederland kan men hier op zo'n klein gebied - “een uitgekozen vierkant van een uur lang en breed”Heimans 1911, p. ii. een zo “rijke geologische staalkaart, van het jongste beek-alluvium af met zijn merkwaardige zinkflora tot de carboonlagen aan de Oostelijken steilrand toe,”Thijsse 1929, p. 26/7; in 1898 was Heimans al eens samen met Thijsse op excursie naar Zuid-Limburg (omgeving Valkenburg) geweest. (Thijsse 1899). vinden.
Heimans bracht er verschillende vakanties door, en Uit ons Krijtland bevat de levendige beschrijving van de tochten die hij hier maakte. Het boekje werd een “voorbeeld van populair-wetenschappelijke landschapsbeschrijving” en diende voor veel zomergasten als gids bij hun verblijf “in dat prachtige en leerzame landschap”.Thijsse 1929, p. 27
Heimans was op het idee gebracht om naar Epen te gaan door J.B. Bernink (1878-1954), onderwijzer, natuurliefhebber en latere stichter van Museum Natura Docet in Denekamp. Die was er, blijkens zijn verslag in het tijdschrift De Levende Natuur tot zijn grote genoegen zelf (drie dagen) geweest in 1901.Bernink 1902
Heimans werd in het dorp Epen “een bekende en beminde figuur, zoowel bij de zomergasten als bij de inwoners van het dorp zelve.” Jac. P. Thijsse vertelt hoe hij in 1928 bemerkte dat Heimans toen nog steeds - veertien jaar na zijn dood - werd geëerd door de Epenaren.
Ook heden ten dage staat Heimans nog in groot aanzien bij de plaatselijke bevolking. Stichting 'Ode aan Heimans' is in 2014 begonnen met een Heimansherdenking. In dat jaar werd in de week van 19 tot en met 27 juli herdacht dat Heimans 100 jaar daarvoor was overleden.informatie over de herdenkingsweek 2014 op de website van de gemeente Gulpen-Wittem; met link naar uitgebreide programma-folder over de week Deze herdenking werd tot 2018 jaarlijks herhaald op of rond de sterfdag van Heimans. In 2019 werd de stichting opgeheven.
Inhoud van het boek Het boekje telt dertien hoofdstukken: Aan de Geul Op 22 juli 1910 “kuierden wij” 's middags naar de Geulvallei. 's Ochtends had er al een wandeling naar het Onderste en Bovenste Bosch op de agenda gestaan. De flora van het beekdal wordt bewonderd. Liggend in een weilandje langs de Geul mijmert de schrijver over de vele vragen die het landschap oproept. Dan klinkt in de verte gerommel. Duistere wolken pakken zich samen. Plotseling barst een onweer los. Nog net op tijd wordt de smidse bereikt. “De smid werkt nog door, maar de vrouw en de kinderen roepen hem binnen, uit de open werkplaats weg; zij slaan kruis op kruis bij elken bliksemstraal en donderslag. Nog valt de hamer van de knecht op het roode ijzer op het aambeeld; maar ik hoor er niets van, al sta ik er vlak bij; zoo verdoovend klettert de regen en rommelt al maar door de donder. En nu, of de natuur mij nog even, voor ik met dit boekje begon, wilde herinneren, wat haar vormende, haar opbouwende en haar afbrekende, haar grootste geologische kracht uitmaakt, nu ving een natuurschouwspel aan, zooals ik het nooit te voren gezien had en dat ik niet licht vergeten zal.”Heimans 1911, p. 20
Watergeweld De smidse van Epen ligt een stuk lager dan het dorp ('De Smidse' bestaat nog steeds. Het is tegenwoordig een restaurant/herberg/hotel/appartementen-gebouw.Website van 'De Smidse'). Heimans beschrijft hoe grote hoeveelheden regenwater langs de helling naar beneden stromen, de holle wegen volgend. Grote brokken gras en keien worden door het water meegesleurd, maar ook planken en palen. “Het was maar een onweersbui geweest; wel een, zooals de menschen hier er in geen jaren hadden beleefd. Het had hoogstens een half uur sterk geregend en toch, wat was hier een ontzaglijke massa leem, zand en steen van de hellingen naar de vallei gevoerd.”Heimans 1911, p. 28/9
Daags na de bui Pas de volgende dag wordt duidelijk hoe groot de gevolgen van de hevige regenbui voor het landschap zijn geweest, langs de (holle) wegen, maar ook langs weilanden, die op sommige plaatsen wel een meter smaller zijn geworden. Langs de Geul en de Sijlerbeek zijn verse bodemprofielen zichtbaar, waarin zich soms vuursteenlagen bevinden. Op vlakkere plaatsen zijn nieuwe grintbankjes gevormd. Het proces van de vorming van nieuwe meanders in de rivier is nu goed te volgen.
Oude grond Langs de Geul, vlak bij de Volmolen, weet Heimans een plek waar gele monnikskap Aconitum vulparia groeit. Daar vindt hij ook een plaats waar (gesteente uit het) Carboon dagzoomt. - een voor Nederland zeer zeldzaam verschijnsel.
Nieuwe grond In de Geul mondt de Sijlerbeek uit, “een onopgevoed, nog echt wild natuurkind. Moge het nog lang jong en ongetemd blijven! De beek loopt waar hij wil; hier kruipt hij onder heggen en struiken door; daar springt hij opeens dwars over den weg; ginds loopt hij een kwartier ver kalm huppelend met u en den steenweg mee, net als de hond uit het pension, en verdwijnt dan onverwachts onder een hazelstruik. Hoe ge zoekt, ge vindt hem niet terug, hij is weg, den grond ingedoken. Dertig pas verder hoort ge hem duidelijk klokken onder den grond van het weiland, gewoon of hij kiekeboe met u speelde; en eerst een heel eind verderop, bij een grooten steen, komt hij weer tevoorschijn uit een donker poortje in het gras.”Heimans 1911, p. 54 In een vlak stuk grasland blijkt het beekje in de onweersbui aan weerszijden een strook van vijf meter gras plat neergeslagen te hebben. Op het gras is een flinterdun laagje klei afgezet.
De oude beekweg Vanuit Epen loopt nog een derde weg zuidwaarts richting de Geul. Het is een holle weg, waar een klein beekje in uitstroomt, en waarin, op een bepaalde plaats het carboon dagzoomt. Even verderop kruist de Sijlerbeek de weg; daar is een voorde.
Nog meer antiquiteiten Heimans vervolgt zijn wandeling langs de Sijlerbeek, richting een boerderij die de naam “Op den Schefer” draagt. Die naam is een verbastering van het Duitse “Schiefer” - lei of leisteen. Ook hier treedt het carboon aan de oppervlakte.
Naar de steenkool-grot
Vanaf de Smidsberg heeft men een mooi uitzicht over het Geuldal. Als men hier afdaalt naar de Geul kan men deze via een bruggetje oversteken. In de tijd van Heimans groeiden hier in de weilanden veel zinkviooltjes Viola lutea subsp. calaminaria. Iets naar het zuiden vindt Heimans een "open grot", waarvan een vijf meter hoge steile wand geheel bestaat uit flinke "brokken en staven en platen" steen uit de carboon-tijd. Heimans weet niet hoe de "steenkoolgrot" daar bij Epen is gekomen. Hij kon al helemaal niet bevroeden dat deze groeve later de naam "Heimansgroeve" zou krijgen. In de steenbrokken treft Heimans fossiele resten van de zegelboom Sigillaria. Hij vindt in de nabijheid van de groeve ook planten zoals eenbes – Paris in de woorden van Heimans. En ook (gevlekt) longkruid Pulmonaria officinalis en knollathyrus Lathyrus linifolius.
Vreemde gewassen; en een ijzermijn? Vanuit Epen gaat Heimans weer naar de Geul, maar dan in noordelijke richting. Onderweg wijst hij op akkers met spelt Triticum spelta, een graangewas dat in de tijd van Heimans hoogst zelden voorkwam.
Heimans wijst op een voorde in de Geul: "Als ge tegen twaalven of tegen het vallen van den avond hier komt, zult ge met verbazing zien dat de boer, die daar ginder op de stoppelvelden met zijn beide paarden aan het ploegen is, op een van de twee paarden gaat zitten, en beide dieren den dalenden weg en verder de Geul in voert. Het stroomend Geulwater spat tot op de flanken van de paarden; die blijven even met gestrekten hals staan, drinken zich zat, en stappen daarna kalmpjes schuin door de Geul heen; dan, aan den overkant den weg weer op, waar ze tot aan de polsen en hielen kleikousen aankrijgen."Heimans 1911, p. 110/1.
Langs de Geul zijn behalve de gele zinkviooltjes ook engels gras Armeria maritima, witte silene Silene latifolia subsp. alba en zinkboerenkers Thlaspi caerulescens var. calaminare te vinden.
Behalve de zinkflora zijn er op een plaats langs de Geul ook ijzerslakken te vinden.
Heimans weet ook een plekje waar de kleine kaardebol Dipsacus pilosus groeit. Een voor Nederland heel zeldzame plant.
Naar de krijtrotsen