thumb|Spiclypeus shipporum Spiclypeus shipporum is een plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de Ceratopia, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
Vondst en naamgeving thumb|Een afgietsel van de gereconstrueerde schedel In het jaar 2000 kocht de gepensioneerde kernfysicus Bill D. Shipp, de voormalige directeur van het Idaho National Laboratory, als vakantiehuis de Paradise Point Ranch bij Winifred, in Fergus County, Montana. Het kwam hem voor dat op het uitgebreide terrein fossielen te vinden zouden moeten zijn. Zelf geen kennis over paleontologie bezittend, huurde hij de bejaarde fossielenjager John C. Gilpatrick in om samen op onderzoek uit te gaan. Tijdens hun allereerste tochtje, op een middag in september 2005, zag Shipp bij de Judith River Breaks het dijbeen van een ceratopiër uit een heuvelwand steken. Eerst werden fragmenten van het dijbeen en van ribben aan het oppervlak verzameld. Tijdens opgravingen door amateurpaleontoloog Joe Small, die door Shipp werd ingehuurd, tot 2007 bleken er ook schedeldelen en andere skeletelementen aanwezig te zijn. Small en zijn team gebruikten standaard bergingstechnieken, gebruik makend van onder meer gips en jute om de beenderen te verstevigen met het oog op transport. Het bergen van het fossiel kostte honderdduizenden dollars, mede doordat een deel van de heuvel moest worden afgegraven om de schedel te bereiken en een weg moest worden aangelegd om een graafmachine de vindplaats te laten bereiken. left|thumb|De groeven op dit afgietsel zijn gevuld met gele oker zodat het op een echt fossiel lijkt De vondsten werden geprepareerd door het White River Preparium te Hill City. De beenderen werden voorlopig ondergebracht bij het Weis Earth Science Museum te Menasha waar ze bestudeerd werden door Christopher Ott. Peter Lars Larson van het commerciële Black Hills Institute maakte afgietsels van de botten. Met hulp daarvan werd een schedel gereconstrueerd door het aanvullen van ontbrekende delen door elementen van Triceratops, waarvan ook weer afgietsels werden gemaakt die aan verschillende musea verkocht werden. Het specimen werd al die tijd informeel aangeduid als "Judith". Het lukte Ott niet een bedoelde beschrijving van het nieuwe taxon te voltooien. Februari 2015 werd daarvoor de hulp ingeroepen van paleontoloog Jordan Mallon die zijn medewerking toezegde op voorwaarde dat het exemplaar aan het Canadian Museum of Nature zou worden verkocht voor de prijs van 350.000 dollar, ongeveer de tegenwaarde van de kosten die Shipp gemaakt had bij het bergen.
De typesoort Spiclypeus shipporum werd in 2016 benoemd en beschreven door Jordan C. Mallon, Christopher J. Ott, Peter L. Larson, Edward M. Iuliano and David C. Evans. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn spica, "stekel", en clypeus, "schild", een verwijzing naar de opvallende stekels op het nekschild. De soortaanduiding eert Bill en Linda Shipp. Omdat de naam gepubliceerd werd in het elektronisch tijdschrift PLoS ONE, waren Life Science Identifiers nodig voor de geldigheid. Die voor het geslacht is 4F4B9688-15E9-43D0-9470-26C967D83316, die voor de soort 8A99EE07-DDD5-4726-BF05-88DA00EFF9BF.
Het holotype, CMN 57081, is gevonden in een laag van de onderste Coal Ridge Member van de Judith River Formation die dateert uit het Campanien. De laag moet tussen de 76,24 ± 0,18 en 75,21 ± 0,12 miljoen jaar oud zijn. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel en onderkaken. Aan de schedel ontbreken de bovenkant en het verhemelte, snuit, hoorns en de zijranden zijn grotendeels bewaard gebleven, samen ongeveer de helft van de schedelelementen. De onderkaken missen het predentarium en de achterkanten. Van de postcrania is ongeveer 6% bewaard gebleven. De postcrania zijn sterk vervormd en geërodeerd. Ertoe behoren twee losse halswervels, negen losse ruggenwervels, minstens vijftien ribben, een linkeropperarmbeen, een linkerdarmbeen, een linkerdijbeen, een linkerscheenbeen en een linkerkuitbeen. Het gaat vermoedelijk om een jongvolwassen individu. De beenderen moeten al voordat ze door sediment bedekt raakten door aaseters aangevreten, gebroken en verspreid zijn. Ze lagen niet in verband bijeen op een oppervlakte van drie bij drie meter.
De beschrijvers achtten het op zich waarschijnlijk dat Spiclypeus identiek is aan Ceratops, het eerste beschreven lid van de Ceratopidae, die ongeveer in hetzelfde gebied gevonden werd in een laag van vermoedelijk gelijke ouderdom. Omdat de beperkte resten van Ceratops niet te onderscheiden zijn van zowel Spiclypeus als Albertaceratops beschouwden ze het als een nomen dubium. Eenzelfde relatie is er met Pentaceratops aquilonius die ook als een nomen dubium gezien werd waarvan daarbij de bouw incorrect beschreven zou zijn.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|upright=1.7|De gereconstrueerde schedel in vier aanzichten; de aangevulde delen hebben een lichtere kleur Spiclypeus heeft een geschatte lengte van tussen de vierenhalf en zes meter bij een gewicht van drie à vier ton.
De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. Een daarvan is een autapomorfie, unieke afgeleide eigenschap. De opgaande tak van de praemaxilla heeft een aan de buitkant ruw raakvlak met het neusbeen. Daarnaast was er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De wenkbrauwhoorns steken naar boven en bezijden uit. Alle zes epiparietalia zijn vergroeid aan hun bases. Het eerste en tweede epiparietale, de P1 en P2, krommen naar voren van de achterrand van het nekschild af. Het derde epiparietale, de P3, steekt naar achteren en boven uit.
Skelet Schedel De schedel heeft als gereconstrueerd een lengte van 167 centimeter. In bovenaanzicht is de schedel driehoekig. De snuit is tamelijk recht en hoog, zonder dat de oogkassen erover heenkijken, met een groot neusgat. Het nekschild is relatief kort en ligt min of meer in het verlengde van de snuit. left|thumb|Snuit, bovenkaaksbeen, postorbitale en neushoorn Het rostrale, de beenkern van de bovensnavel, is sterk haakvormig. Het buitenste zijvlak van de opgaande tak van de praemaxilla is zeer verruwd met vele putten. Dat duidt vermoedelijk op een sterk in elkaar grijpen van de tak en de voorkant van het neusbeen en contrasteert met de toestand bij Chasmosaurus waar het contact glad is. De grote rechthoekige fossae praemaxillares zijn niet verbonden door een perforerende fenestra interpraemaxillaris maar het tussenschot heeft slechts een dikte van één millimeter. De beenbalken naar het neusbeen achter deze uithollingen hellen drie graden naar achteren; aan hun onderkanten ontwikkelen zich naar beneden toe in de lengterichting beenplaten net als bij Kosmoceratops maar verschillend van zowel Chasmosaurus waar die platen naar boven doorlopen en Anchiceratops waar ze geheel ontbreken. Aan de basis en iets bezijden van de plaat steekt een fors uitsteeksel schuin omhoog in het neusgat, zoals bij Utahceratops. thumb|De wenkbrauwhoorns De neushoorn heeft een lengte van 166 millimeter. Omdat de hoorn los is aangetroffen is de precieze positie ervan onzeker. Hij heeft in zijaanzicht het profiel van een gelijkbenige driehoek. De dwarsdoorsnede is ovaal als bij Chasmosaurus, in plaats van druppelvormig of met een platte voorkant. Dat maakt het wat lastig vast te stellen wat de voorkant en wat de achterkant is. Men nam aan dat een richel die de onderrand van de hoornschacht aangeeft aan de voorkant was gelegen zoals bij verwanten. Er is geen spoor van een epinasale, een aparte verbening voor de hoorn alleen. Op de hoorn bevinden zich vier grotere putten, wellicht een teken van resorptie bij een oud dier.
Het bovenkaaksbeen heeft een lengte van 494 millimeter, In het midden wordt de buitenzijde ervan doorboord door een groot foramen dat twaalf bij acht millimeter meet. Het bovenkaaksbeen draagt minstens achtentwintig tandposities. Het jukbeen heeft geen tak onder het onderste slaapvenster lopen. Het V-vormige blad ervan draagt aan de onderkant een groot epijugale, of jukbeenhoorn, met een lengte van achtenzeventig millimeter. Dat benadert de omvang bij Kosmoceratops en Arrhinoceratops. Nabij de punt heeft de achterkant van het epijugale een zes millimeter diepe groeve met vele putjes, mogelijk ter bevestiging van een hoornschacht. Eigenaardig is dat zulk een groeve tot 2016 alleen van Centrosaurinae bekend was. Het epijugale is niet vergroeid met het jukbeen maar wel met het achterliggende quadratojugale. Het quadratojugale heeft een hoogte van 198 millimeter. De buitenzijde ervan is over 130° van beneden en achteren naar boven en bezijden gewrongen, zich over de jukbeenhoorn plooiend. De binnenzijde daarentegen wringt over 90° van onderen naar boven en achteren zodat bovenaan een bredere achterzijde ontstaat. Vanaf het raakpunt met het epijugale steekt een richel uit in het raakvlak met het overlappende jukbeen wat het hele complex van de drie elementen hecht moet hebben verbonden. Het linkerquadratum heeft een lengte van 277 millimeter. De bovenzijde van het kaakgewricht heeft een breedte van tien centimeter en toont een lage dwarsrichel. De buitenste knobbel is de grootste en beslaat twee derden van de breedte van het gewricht. Direct boven de gewrichtsknobbels bevindt zich een uitholling, de aanhechting voor de Musculus adductor mandibulae posterior. Het quadratum wringt 45° van achteren en onderen naar boven en binnen. Het onderste slaapvenster is vermoedelijk kleiner dan de oogkas, net als bij Chasmosaurus en Pentaceratops.
Het postorbitale wordt aan de binnenzijde uitgehold door twee uitlopers van de luchtholte van het schedeldak. De voorste daarvan loopt richting de wenkbrauwhoorn maar dringt de basis daarvan niet binnen. De wenkbrauwhoorns staan midden boven de oogkas en hebben links en rechts respectievelijk een lengte van 228 en 246 millimeter in rechte lijn gemeten en 231 en 242 millimeter gemeten over de kromme. Ze hebben een ovale dwarsdoorsnede, aan de basis tien bij negen centimeter. De basis van de hoorn steekt naar boven en buiten uit en de punt kromt geleidelijk licht naar beneden. In bovenaanzicht wijkt de hoorn sterk naar buiten, een hoek van 50° makend met het verticale vlak. Zo'n sterke wijking wordt verder alleen gezien bij Albertaceratops, Utahceratops en Kosmoceratops. thumb|Authentieke nekschildelementen gegroepeerd rond de reconstructie van de schedelkraag Het vrij platte nekschild vormt in bovenaanzicht een driehoekige structuur, zo'n negentig centimeter lang, met licht bolle zijkanten en wijd uiteenlopende achterhoeken gescheiden door een brede inham in de achterrand. Het zijelement van het schild, het squamosum, heeft aan de buitenrand een verticale dikte van vijfenveertig millimeter. Het heeft bovenop in de lengterichting een ondiepe trog lopen. Naar achteren loopt het tot bijna in de schildhoek door en eindigt daar in een ondiepe punt net als bij Anchiceratops. Beide squamosa van het holotype tonen langwerpige gaten, vermoedelijk het gevolg van verwondingen. Van de wandbeenderen is vrijwel alleen de achterrand bekend. De achterranden vormen een in bovenaanzicht vrij brede dwarsbalk zoals bij Pentaceratops en Utahceratops. Deze balk moet breder geweest zijn in de schildhoek, tegen de twintig centimeter, en smaller in het midden, tegen de elf centimeter. In het midden ging de dwarsbalk over in de middenbalk die echter geheel verloren gegaan is. Daardoor is de vorm van de grote schildopeningen, de pariëtaalvensters, niet goed bekend; ze zijn gereconstrueerd in een langwerpige druppelvorm met het breedste punt achteraan en een lengte van zesenveertig centimeter. Dat ze zich zo ver naar voren uitstrekken, blijkt uit een bewaard stukje van de rechtervoorrand. De dwarsbalk is vier centimeter dik bij de achterrand, verminderend tot drie millimeter bij de pariëtaalvensters.