Het Munster van Salem (Duits: Salemer Münster) was de kerk van de voormalige rijksabdij van Salem (gesticht in de jaren 1137-1138 en in het kader van de secularisatie gesloten in 1804) en de tegenwoordige parochiekerk van de rooms-katholieke geloofsgemeenschap van Salem (Baden-Württemberg). Het gotische kerkgebouw werd van 1285 tot 1420 als drieschepige zuilenbasiliek gebouwd en behoort tot de belangrijkste hooggotische gebouwen van de cisterciënzers in de Duitstalige landen. Het exterieur van de kerk komt nog grotendeels overeen met de oorspronkelijke bouw, terwijl het interieur in de loop der tijd aanmerkelijke veranderingen onderging. De kerkinventaris stamt uit de tijd van de laatgotiek, de barok, de rococo en het classicisme. Na de munsterkerken van Ulm en Freiburg is het de grootste kerk van de deelstaat.
Geschiedenis thumb|300px|links|De oudst bekende afbeelding van de kerk (tekening van Augustin Hirschvogel, 1536) thumb|300px|links|De kerk met de kloostergebouwen vanuit oostelijk perspectief
De eerste kloosterkerk Ten tijde van de kloosterstichting in 1137 door cisterciënzer monniken uit het klooster van Lucelle in de Elzas stond hier reeds een aan de heiligen Verena en Cyriacus gewijde kapel. Deze bouwvallige kapel (vetustate paene collapsa) werd ten behoeve van de nieuwbouw van een kloosterkerk afgebroken.
Van de eerste kloosterkerk bleven kleine bouwkundige getuigenissen bewaard. Het zou kunnen hebben gegaan om een romaanse kruisbasiliek met drie schepen en een rechthoekige apsis. Zeker is dat de kerk geheel van steen werd gebouwd en ten minste acht altaren herbergde. Op 4 juli 1179 werd de kerk na een bouwperiode van 30 jaar ingewijd. Al na een eeuw werd deze romaanse kerk weer afgebroken om plaats te maken voor de bouw van de munsterkerk.
Bouwperiode Tot de dood van Frederik II in 1250 genoot het klooster de bescherming van het Staufische koningshuis. Het machtsvacuüm in het Roomse Rijk dat volgde op zijn dood, werd door de buren van het klooster uitgebuit om zich delen van het kloostergoederen toe te eigenen. Met het aantreden van Rudolf I van Habsburg in 1273 kwam een einde aan het interregnum en werd Salem weer onder protectie gesteld. De verloren gegane goederen moesten toen weer worden teruggegeven. Daarmee kreeg het klooster weer inkomsten en na een reeks van in de jaren 1280 uitgeschreven aflaatbrieven was er voldoende geld om met de bouw van een nieuwe, grotere kerk te beginnen.
Initiatiefnemer van de nieuwbouw was de abt Ulrich II van Seelfingen (1282–1311). Volgens het meest recente onderzoek zou het bouwbegin rond 1285 zijn geweest. Vermoedelijk was de aanleiding voor de nieuwbouw dat de oude kerk te klein werd: binnen enkele decennia was het aantal monniken en lekenbroeders in het klooster namelijk al toegenomen tot circa 300. Aan de oostelijke kant werd begonnen en zo werkte men in hoog tempo naar het westen toe. Het benodigde bouwmateriaal haalde men uit de zandsteengroeves uit de omgeving. In het jaar 1307 werden al elf altaren ingewijd; enkele jaren later werden er nog eens twaalf geconsacreerd. Toen het koor en het transept rond 1319 waren voltooid begon de bouw in tempo af te nemen. Sinds het jaar 1300 was het aantal monniken kleiner geworden, zodat het oostelijke middenschip voldoende plaats bood.
Ook financieringsproblemen speelde een rol bij de onderbreking van de bouw. Aan de macht was van 1314 tot 1347 Lodewijk de Beier, een tegenstander van de paus die de Habsburger protectie over het Salem ophief, waarmee er opnieuw problemen ontstonden over de rechtszekerheid van de kloostergoederen. Nadat Lodewijks opvolger Karel IV de rechten van de abdij weer bevestigde, brak in 1348 in Zuid-Duitsland de pest uit. Pas rond 1400 kon er weer een begin worden gemaakt met de voortzetting van de bouw en volgens dendrochronlogisch onderzoek werd het dak rond 1420 geplaatst. Daarmee komt de totale bouwtijd van de kerk op ongeveer 150 jaar.
Met Salem als wegbereider kreeg de gotische bouwkunst vaste voet aan het Bodenmeer. Ongeveer tegelijkertijd liet ook het bisdom Konstanz zijn munsterkerk in gotische stijl verbouwen en kort na de voltooiing van de kloosterkerk in Salem werd om Salem te kunnen overtreffen in het naburige rijksstad Überlingen begonnen met de uitbouw van de stadsparochiekerk Sint-Nicolaas tot een vijfschepige basiliek.
Torenbouw thumb|300px|links|De brand in 1697 thumb|links|300px|Het complex met de munster en de hoge vieringtoren thumb|links|300px|Doorsnee koor en ommegang De kerk kreeg voor de klokken conform de eenvoudige en bescheiden cisterciënzer bouwvoorschriften geen kerktoren, maar een eenvoudige dakruiter. In de 18e eeuw veranderde dat. In het jaar 1697 vernietigde een brand het hele klooster. Alhoewel de kerk bij de brand grotendeels onbeschadigd bleef, dreigde de munster bij de nieuwbouw van het kloostercomplex in 1697-1708 achter het grote gebouwencomplex te verdwijnen. Daarom plande de bouwmeester Franz Beer voor de munsterkerk een vrijstaande klokkentoren, die echter niet werd gerealiseerd.
Abt Anselm II Schwab (1746–1778), die zijn voorliefde voor monumentale bouwkunst reeds met de bouw van de bedevaartskerk in Birnau had bewezen, kon echter de verleiding niet weerstaan om de kerk alsnog van een indrukwekkende vieringtoren te voorzien. De bouwmeester Johann Caspar Bagnato kreeg de opdracht het ontwerp te maken en de bouw te begeleiden voor de in 1756 voltooide toren. Het werd echter geen stenen maar een houten in vakwerktechniek gebouwde constructie, die later met koperplaat werd bekleed. De hoekpilasters werden met lood en brons versierd, zodat de toren van verre optisch niet van een stenen toren afweek, maar dat de koperglans de structuur zelfs een nog imponerender uiterlijk gaf. Met een hoogte van 85 meter oversteeg de toren de nok van het dak met 50 meter. Voor de toren werden zestien nieuwe, met reliëfs versierde, klokken en een nieuw uurwerk aangeschaft.
Na de secularisatie In 1804 werd het klooster geseculariseerd. Zowel de munsterkerk als de kloostergebouwen gingen over in het bezit van het keurvorstendom Baden. Omdat het munster als katholieke parochiekerk verder zou worden gebruikt was het van belang het interieur verder intact te laten. De intussen bouwvallige houten toren boven de viering werd in 1807 gesloopt en door de vandaag nog altijd bestaande dakruiter met tentdak vervangen. Ondanks de 19e-eeuwse geestdrift voor de als zeer Duits ervaren gotische bouwstijl was er in Salem aanvankelijk weinig interesse om het kerkgebouw voor meer dan het noodzakelijke te renoveren. Eerst in 1853 groeide de interesse om de bouwvallige kerk als monument te behouden. Een grondige restauratie volgde in de jaren 1883-1892. Alhoewel de restaurateur Franz Baer er veel aan gelegen was om het munster in de oorspronkelijke staat te behouden, gingen er toch enkele originele bouwdelen verloren: de westelijke en zuidelijke gevel werden vereenvoudigd hersteld en de bijna vergane maskers aan de gevelconsoles werden door eigentijdse creaties vervangen. Een geplande dakruiter in neogotische stijl bleef achterwege.
In 1997 begon een nieuwe restauratie, die in 2002 werd afgesloten.
Architectuur Exterieur Bij de munsterkerk gaat het om een drieschepige basiliek met transept, koor en koorommegang op een rechthoekig grondvlak van 67 bij 28 meter (buitenmaten), waarbij het transept de lijn van de zijschepen volgt. Als voorbeeld zou de kloosterkerk van Kappel am Albis en de tegenwoordig niet meer bestaande munsterkerk van het klooster van Petershausen gediend kunnen hebben. Vanwege het feit dat Petershausen zich net als Salem had losgemaakt van het bisdom Konstanz en Salem deze onafhankelijkheid ook wilde demonstreren, is de kloosterkerk van Petershausen het meest voor de hand liggende voorbeeld van het munster van Salem. Ten zuiden van de kerk sluit zich de kruisgang aan, die naar de kloostergebouwen voert. Dit portaal, het zogenaamde Bernhardportaal, diende als toegang voor de monniken, terwijl de andere kerkgangers het westelijke portaal gebruikten. Nog een portaal bevond zich tot de sluiting in 1750 aan de noordelijke kant van het transept, dat oorspronkelijk als toegang voor hoogwaardigheidsbekleders diende.
Het dakgestoelte boven het hoogkoor stamt deels nog uit het jaar 1301. Op de zuidelijke kant ervan bleven nog de originele geglazuurde dakpannen bewaard, die het dak ooit een gouden gloed gaven. Tot de nieuwe dakbedekking in 1997 was het gehele kerkschip nog grotendeels met dakpannen uit de bouwperiode gedekt. thumb|300px|Plattegrond van de munsterkerk Aan de buitenkant van het gebouw verlenen alleen de wimpergen en het traceerwerk het verder nogal grove bouwwerk een zekere architectonische filigraniteit. De westelijke gevel wordt afgesloten door een driehoekig frontaal, een gelijkzijdige driehoek, die in de middeleeuwse getallenmystiek met de verering van de Drievuldigheid wordt geassocieerd. Twee zware steunberen ondersteunen de gevel en omlijsten de toegang tot de kerk. De vormgeving van de gevel herhaalt zich in een overeenkomstige vorm aan de oostelijke kant van het schip alsook aan de zuidelijke en noordelijke kant van het dwarsschip.
De lichtinval wordt verzorgd door de maaswerkramen op elke kant van het middenschip (lichtbeuk). De zijschepen bezitten één venster meer. Voorts zijn er grote maaswerkvensters in de vier gevels van de kerk ingebracht, waarbij het venster in de oostelijke kant bij de herinrichting in 1750 werd dichtgemetseld. Het raam in de gevel van het noordelijke dwarsschip wordt eveneens versierd door een achtbladerig roosvenster naar het voorbeeld van de munster in Straatsburg. Ook het maaswerkhek voor de geveldriehoek vindt in Straatsburg zijn voorbeeld.
Interieur Het middenschip en de zijschepen zijn met gotische kruisgewelven overdekt. Het gewelf van het kerkschip wordt door zuilen gedragen, die ijsbrekervormig zijn. Naar het middenschip zijn het rechthoekige pijlers die door slanke zuilenbundels minder zwaar lijken, terwijl ze naar de zijschepen toe spitsvormig aflopen waardoor het gewelf lichter en de zijschepen groter ogen. De pijlers werden om statische redenen ver de diepte ingeslagen en vervangen de steunberen aan de buitenkant. Door deze bouwwijze ontstonden tussen de pijlers ruimtes voor kleine zijkapellen, die ook kruisribgewelven kregen.
De oostelijke delen van de zijschepen worden door zuilenrijen en ribgewelven telkens in twee smallere schepen opgedeeld. De zuilen die tussen de koorruimte en de ommegang staan, hebben een achthoekige vorm. Ze behoren tot de oudste bouwfase en zijn wezenlijk slanker als de massieve pijlers van het westelijke kerkschip, waardoor het koor lichter werkt.
Het oostelijke koor bezat tot 1750 een ommegang op drie kanten met een polygonale afsluiting naar het voorbeeld van de kloosterkerk van Morimond. In opdracht van Abt Anselm II verwijderde Johann Caspar Bagnato in 1750 de oostelijke ommegang en vergrote daarmee de ruimte van het oostelijke kerkschip met één travee. Van de ommegang bleven alleen het noordelijke en zuidelijke deel bewaard. De abt wist de gotische architectuur op waarde te schatten en bij de verbouwing bleef de gotische architectuur onveranderd. Het nieuwe gewelf boven het hoogkoor voegde zich zonder enige stijlbreuk in het overige spitsbogengewelf van het kerkschip in.