thumb|350px|De lineaire versus de circulaire economie thumb|thumbtime=0:17|Hans Stegeman, voormalig econoom bij de Rabobank en huidig hoofdeconoom Triodos Bank, over de circulaire economie thumb|Waarom kopen we in de toekomst licht in plaats van lampen? - Universiteit van Nederland thumb|Mag je straks geen eigen kleren meer hebben? - Universiteit van Vlaanderen Een kringloopeconomie of circulaire economie is een economisch en industrieel systeem waarin geen eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en waarin reststoffen volledig opnieuw worden ingezet in het systeem.

De energie voor een zuivere kringloopeconomie dient afkomstig te zijn van hernieuwbare bronnen, met name zon en wind. Dit in navolging van het natuurlijke systeem. Het tegenovergestelde van de kringloopeconomie is de lineaire economie, waarbij eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en, na gebruik, als onbruikbaar afval in het milieu terechtkomen.

Aangezien een ideale kringloopeconomie niet zonder meer te verwezenlijken is, wordt het ook wel gedefinieerd als een systeem dat de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het herstellend vermogen van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunt neemt, waardevernietiging in het totale systeem minimaliseert en waardecreatie in iedere schakel van het systeem nastreeft.TNO - Kansen voor de circulaire economie in Nederland (2013). Opdrachtgever: Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Geschiedenis Hergebruik van afvalstoffen is feitelijk een vanzelfsprekende zaak geweest door de geschiedenis van de mensheid heen. Veel afvalstoffen vertegenwoordigden namelijk een positieve gebruikswaarde en — indien er uitruil plaatsvond — een positieve marktwaarde. Organische stoffen, zoals mest, planten- en voedselresten konden worden ingezet als bodemverbeteraar of veevoer. Houtafval kon gebezigd worden als brandhout, oude metalen konden worden omgesmolten tot nieuwe metalen, textielafval (lompen) werd onder meer gebruikt in de papierfabricage. Bouw- en sloopafval werd soms toegepast als wegverharding. De schillenboer en de oud-ijzerboer kwamen regelmatig rond in dorpen en steden om voedselafval respectievelijk afgedankte metalen op te halen. Soms kregen afvalstoffen een laagwaardiger toepassing (downcycling), soms konden ze, na bepaalde productieprocessen te hebben doorlopen, hun waarde behouden. thumb|Essay on the principle of population. Het essay uit 1826 waarin Thomas Malthus beschrijft dat de voedselproductie langzamer groeit dan de bevolking. Naarmate de bevolking toenam en het verbruik van grondstoffen, mede door de industriële revolutie, eveneens sterk steeg, werden een aantal auteurs zich min of meer bewust van de eindigheid van de draagkracht van de Aarde. Een van deze auteurs was Thomas Malthus die in 1798 reeds catastrofale ontwikkelingen voorzag. Dergelijke ontwikkelingen — bij ongewijzigd beleid — werden in later eeuwen ook verwoord door onder meer de econoom Kenneth E. Boulding, die in 1966 de term Spaceship Earth hanteerdeK.E. Boulding, The economics of the coming spaceship Earth. In: H. Jarrett (ed.), Environmental Quality in a Growing Economy, Baltimore: Johns Hopkins, pp. 3-14. Het rapport Grenzen aan de Groei, beter bekend als het rapport van de Club van Rome, verscheen in 1972D.H. Meadows, D.L. Meadows and J. Randers. The Limits to Growth. New York: Universe Books. Hierin werd, aan de hand van computermodellen, voorzien dat binnen enkele decennia de beschaving op aarde bij ongewijzigd beleid ten onder zou gaan aan grondstofschaarste.

De eindigheid van fossiele energie De oliecrisis van 1973 was weliswaar kunstmatig van aard, maar confronteerde niettemin de maatschappij rechtstreeks met haar afhankelijkheid van grondstoffen, met name fossiele energiedragers. Er werden studies uitgevoerd naar de economische gevolgen van een stijging van de energieprijs, en hierbij werd in 1973 het begrip Bruto Energie-inhoud (Gross Energy Requirement - GER) ingevoerdIFIAS, Report of the International Federation of Institutes for Advanced Study, workshop n°6 on Energy Analysis. Guldsmedshyttan, Zweden. Een dergelijk begrip, gewoonlijk uitgedrukt in MJ/kg, geeft een globale waarde weer van de energie die nodig is om een bepaald product te verkrijgen, vanaf winning via transport en verwerking tot het uiteindelijke product. Zo is de GER van nieuw staal ongeveer 32 MJ/kg, die van gerecycled staal echter slechts 10 MJ/kg. Studie naar het energiegebruik voor het verkrijgen van grondstoffen of producten, wordt energie-analyse genoemd.

Auteurs als P.F. Chapman (1976)P.F. Chapman and F. Roberts, 1983. Metal Resources and Energy. London: Butterworth analyseerden het energiegebruik van onder meer koperwinning uit erts en onderzochten hoe dit zich in de toekomst zou ontwikkelen. Hierbij gaf men zich rekenschap van het steeds geringere kopergehalte van het erts en dientengevolge het toenemend energiegebruik per eenheid gewonnen koper.

Aldus ontstond geleidelijk het denkbeeld dat hergebruik van grondstoffen ook vanuit energetisch oogpunt nuttig was. Opgemerkt moet worden dat dit voor veel producten niet het geval is. Integendeel, sommige producten zijn zodanig ontworpen dat er veel meer energie nodig is voor recycling dan voor het nieuw ontginnen van grondstoffen.

Ecologie Een verdere impuls kwam uit de ecologie. In natuurlijke systemen ontstaat geen afval. Alle afvalproducten worden immers op een of andere wijze weer hergebruikt. Het gehele ecologische systeem wordt aangestuurd door — eveneens hernieuwbare — zonne-energie. Dit model diende nu ook te worden toegepast op de menselijke economie, die daadwerkelijk steeds meer afval produceerde. Dit leidde tot de voorstellen, die door Frosch en Gallopoulos (1989) in Scientific American werden ontvouwd.R.A. Frosch and N.E. Gappopoulis, Strategies for Manufacturing. Scientific American 261, pp. 144-152. Deze voorzagen letterlijk in een volledige kringloopeconomie. Het bestuderen van mogelijkheden hieromtrent door diverse auteurs kreeg benamingen als Industrieel metabolisme (1994)R.U. Ayres and U.E. Simonis (eds.). Industrial Metabolism. Tokio: United Nations University Press en Industriële ecologie (1994, 1995, 1996).R. H. Socolow, C. Andrews and F. Berkhout, 1944. Industrial Ecology and Global Change. Cambridge UK: Cambridge University PressT.E. Graedel and B.R. Allenby, 1995. Industrial Ecology. Englewood Cliffs NJ: Prentice HallR.U. Ayres and L.W. Ayres, 1996. Industrial Ecology: Towards Closing the Materials Cycle. Cheltenham UK: Edward Elgar.

Dit begrip, en nauw gerelateerde begrippen, werd later onder diverse benamingen gepresenteerd en op de markt gebracht, waarvan cradle to cradle (2002) wel de bekendste is.

Werkwijze Het bestuderen en stimuleren van een circulaire economie gaat door middel van een systeembenadering. Alle grondstofstromingen worden in kaart gebracht om te kijken hoe het nieuw ontginnen van grondstoffen beperkt kan worden. In de praktijk betekent dit dat verschillende economische sectoren met elkaar moeten samenwerken. Wat afval voor de een is, is een grondstof voor de ander. Door samen processen te ontwerpen kunnen afvalstromingen worden voorkomen of geminimaliseerd.

Bij het ontwerp van producten is het van belang dat hoog kwalitatief hergebruik van de grondstoffen mogelijk is, en dat zo min mogelijk grondstoffen gebruikt worden. Het hergebruik van grondstoffen stimuleer je door zo min mogelijk verschillende materialen te gebruiken en het gebruik van moeilijk te scheiden composietmaterialen te vermijden. Ook modulair ontwerp, zorgen dat onderdelen makkelijk te vervangen zijn, speelt hierbij een belangrijke rol. Dit vergroot repareerbaarheid van producten. Tot slot is het van belang dat het product zodanig wordt ontworpen dat het makkelijk in recyclebare delen te demonteren is.

Tijdens de levensfase van het product wordt de levensduur gemaximaliseerd door het goed te onderhouden, te repareren, te hergebruiken (tweedehandsmarkt) en op te knappen. Aan het einde van de levensfase is het van belang dat er een goed reststroomsysteem bestaat: huishoudelijke en industriële reststromen moeten goed worden gescheiden en deze grondstofstromen moeten vervolgens verder worden bewerkt tot nuttige grondstoffen.

Sommige afvalstromingen bevatten een negatieve waarde: het kost meer geld ze te recyclen dan je kan verdienen met de gerecyclede grondstoffen. Door slimmer ontwerp kunnen ze soms worden vermeden en door nieuwe technologieën in de toekomst soms toch nog nuttig ingezet worden. Vaak leiden deze afvalstromingen, zoals nucleair afval, tot verhitte discussies. In hoeverre mag je een toekomstige generatie opzadelen met een probleem waar nu nog geen oplossing voor is?

Biotische en abiotische kringloop Ruwweg worden twee kringlopen onderscheiden. De biotische kringloop houdt onder andere het verbouwen van eten in, alsmede onze eigen lichamen en ontlasting. Bij de abiotische of technische kringloop moet bijvoorbeeld worden gedacht aan metalen. De biologische kringloop kan onderdeel uitmaken van de natuur: eventueel komen sommige menselijke afvalstromen in de natuur terecht, waar ze weer worden gerecycled. Denk hierbij aan een nieuw ontwerp van autobanden. Nu is dit nog gemaakt van niet-afbreekbaar materiaal en stapelen microplastics zich op in de natuur. In een circulaire economie zouden deze autobanden wel van een stof gemaakt worden die in de natuurlijke kringloop terecht kan komen.

Modellen thumb|start=383|end=510|Jacqueline Cramer legt het 10R-principe uit in Vancouver (2017) thumb|Een ander circulair model dat vooral R-en hanteert: "Long-lasting, Maintenance, Repair, Reuse, Remanufacturing, Refurbishing, Recycling." In de jaren 2010 werden verschillende modellen van een circulaire economie ontwikkeld die een reeks stappen of niveaus van circulariteit gebruikten, meestal met behulp van Engelse werkwoorden of zelfstandige naamwoorden die beginnen met de letter "r". Het eerste model van dit soort, bekend als het "Drie R-principe", was "Reduce, Reuse, Recycle", waarvan de oorsprong al tot in de jaren 1970 terug te voeren is. Volgens Breteler (2022) is het 'meest omvattende en uitgebreide' van vier vergeleken modellen het "10R-principe" ontwikkeld door hoogleraar duurzaam ondernemerschap en voormalig Nederlands Minister van VROM Jacqueline Cramer. + Niveaus van circulariteit (Breteler 2022) 10R-principeCramer 2017 Ellen MacArthurFoundation 2013 Ladder van LansinkLansink 2015 Drie R-principe(1970s) Uitleg (Cramer 2017) Refuse Maintain/prolong Prevention Reduce 'Voorkom grondstoffengebruik' Reduce 'Verminder grondstoffengebruik' Renew/Redesign 'Herontwerp product met oog op circulariteit' Reuse Reuse/redistribute Reuse Reuse 'Product hergebruiken (tweedehands)' Repair 'Product onderhouden en repareren' Refurbish Refurbish/Remanufacture 'Product opknappen' Remanufacture 'Nieuw product maken van tweedehands' Repurpose 'Product hergebruiken maar met andere functie' Recycle Recycle Recycling Recycle 'Materiaalstromen met hoogst mogelijke waarde redden' Recover Energy recovery Energy recovery 'Afvalverbranding met energieherwinning' Incineration Landfill Landfill

Beleid Qua beleid is er al sinds de jaren 1970 oog voor afvalvermindering. Reeds in 1979 werd een dergelijke denkwijze in de praktijk toegepast middels (in Nederland) de ladder van Lansink. Afvalstoffen werden niet langer werktuiglijk gestort, maar er werd gekeken wat er aan nuttigs mee gedaan kon worden. Dit kon onder meer worden gestimuleerd door hogere storttarieven, verbod op storten van bepaalde afvalstoffen en dergelijke. Aldus werd meer en meer recycling van afvalstoffen gestimuleerd.

Beleid in de Europese Unie