Het groot mosklokje (Galerina clavata) is een plaatjeszwam uit de familie Galerinaceae. De soort groeit vooral tussen mossen op vochtige plaatsen. De vruchtlichamen zijn klein en overwegend geel- tot roodbruin.Nederlandse Mycologische Vereniging, Mosklokjes, geraadpleegd op 30 september 2026.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed heeft een diameter van ongeveer 10–30 mm. Hij is aanvankelijk kegel- tot klokvormig en spreidt later uit. De hoed is hygrofaan, geelbruin tot roodbruin en doorgaans bleker naar de rand. Bij vochtig weer is hij diep doorschijnend gestreept. Bij opdrogen verbleekt de kleur sterk. Het oppervlak is glad; bij jonge exemplaren kunnen aan de hoedrand nog witte velumresten aanwezig zijn.

Lamellen De lamellen staan vrij wijd uiteen en zijn aan de steel aangehecht. Ze zijn aanvankelijk geelbruin en worden later oker- tot roestbruin. De lamelsnede is meestal iets bleker en kan fijn gekarteld zijn.

Steel De steel is ongeveer 30–70 mm lang en 1–3 mm dik. Hij is cilindrisch en aanvankelijk bleek geelbruin. De onderste helft kan later donkerder roodbruin worden. Op de steel bevinden zich witte, vezelige velumresten, die soms net onder de top een onduidelijke vezelige ringzone vormen. Oudere exemplaren kunnen grotendeels kaal worden.

Microscopische kenmerken De basidiosporen zijn ellipsoïde tot amandelvormig en hebben een fijn wrattig oppervlak. Ze meten volgens de Nederlandse Mycologische Vereniging ongeveer 11–13(–14) × 5–7 µm. In Funga Nordica worden maten van (9,5–)10–12,5(–13) × 5,5–7,5(–9) µm opgegeven.Gulden, G. (2012), Galerina Earle, in: Knudsen, H. & Vesterholt, J. (red.), Funga Nordica, 2e editie, p. 886–905. Online versie.

De basidia zijn knotsvormig en viersporig. Gulden en Vesterholt maten basidia van 28–42 × 8,4–13 µm.Gulden, G. & J. Vesterholt (1999), The genera Galerina and Phaeogalera (Basidiomycetes, Agaricales) on the Faroe Islands, Nordic Journal of Botany 19: 685–706.

De cheilocystidia staan dicht opeen en maken de lamelsnede steriel. Ze komen in verschillende vormen voor. Kenmerkend zijn tibiiforme tot lecythiforme cystiden met een verdikt buikgedeelte, een relatief smalle hals en een afgeronde tot knopvormig verbrede top. Daarnaast komen bredere, knotsvormige tot min of meer opgeblazen cellen voor. In Funga Nordica worden voor de tibiiforme cheilocystiden maten van 25–35(–70) × 5,5–12,5 × 2–3(–5) × 2,5–6,5(–10,5) µm opgegeven, waarbij de maten respectievelijk de lengte, de breedte van het verdikte gedeelte, de hals en het kopje aangeven. Gulden en Vesterholt vonden bij onderzochte collecties grotere cheilocystiden van 32–100 × 5,5–16 × 3,5–6 × 6–10 µm. Deze waren tibiiform en recht of bij de overgang van buik naar hals gebogen; soms waren ze gevorkt of vertakt.

Pleurocystidia ontbreken.AMINT, Galerina clavata (Velen.) Kühner, geraadpleegd op 30 september 2026. Op de steel komen caulocystidia voor. Deze zijn tibiiform en lijken sterk op de cheilocystiden; bij een beschreven collectie maten ze 47–76 × 6–14 µm. Ook pileocystidia kunnen aanwezig zijn en lijken wat vorm betreft op de cheilocystiden.

Gespen ontbreken. De pileipellis is opgebouwd uit min of meer parallel lopende cilindrische hyfen, plaatselijk met geïncrusteerd pigment.

Ecologie en verspreiding Het groot mosklokje groeit op de grond en tussen levende mossen op vochtige plaatsen. Het wordt onder andere gevonden in schrale graslanden, heidevegetaties, duinvalleien, jeneverbesstruwelen en loof- en naaldbossen. De soort kan voorkomen op zand-, klei- en veenbodems en zowel op zure als meer basische standplaatsen.

In Nederland is het groot mosklokje vrij algemeen. Verspreidingsatlas.nl: Galerina clavata (Velen.) Kühner. Gearchiveerd op 10 december 2022.

Gelijkende soorten Het groot mosklokje kan onder andere worden verward met het grasmosklokje (Galerina graminea, synoniem Galerina laevis). Deze soort heeft kleinere sporen en wijkt ook af in de vorm van de cystiden.

Ook het tweesporig mosklokje (Galerina subclavata) lijkt sterk op het groot mosklokje. Een belangrijk microscopisch verschil is dat G. subclavata overwegend tweesporige basidia heeft, terwijl die van het groot mosklokje viersporig zijn.

Taxonomie De soort werd door Josef Velenovský oorspronkelijk beschreven als een variëteit onder de naam Galera fragilis var. clavata. Robert Kühner plaatste het taxon in 1935 in het geslacht Galerina als Galerina clavata.

In oudere literatuur is de soort ook bekend onder de naam Galerina heterocystis.

Foto's

Categorie:Galerinaceae Categorie:Schimmelsoort