thumb|300px|Caspar David Friedrich: Zwei Männer in Betrachtung des Mondes, 1819-1820, Galerie Neue Meister, Dresden. Een exemplarisch werk uit de Duitse romantiek, uitdrukking gevend aan het gevoel van "Sehnsucht".

De romantiek is een stroming binnen de westerse schilderkunst, deel uitmakend van een bredere romantische cultuurbeweging. Haar bloeiperiode kan gedateerd worden tussen het einde van de achttiende eeuw en het midden van de negentiende eeuw. De kenmerken van de romantische schilderkunst verschilden per land en regio, maar hadden als rode draad de nadruk op de verbeeldingskracht en de subjectieve expressie van de individuele kunstenaar. Vaak werd de werkelijkheid enigszins geïdealiseerd weergegeven. De natuur werd ervaren als "bezield". Landschappen en historische gebeurtenissen waren veelvoorkomende onderwerpen, maar er was ook aandacht voor de donkere kanten van het menselijke bestaan, dromen en extreme ervaringen. Enkele bekende romantische kunstenaars zijn de Duitser Caspar David Friedrich, die in Dresden werkte, de Engelsman John Constable en de Fransman Eugène Delacroix. Hun onderlinge verschillen zijn exemplarisch voor de diversiteit waarin de stroming zich in onderscheiden landen ontwikkelde.

Stijltypering Rond 1800 etaleerden schrijvers, filosofen en kunstenaars in het Duitse Rijk een nieuwe visie op de wereld die zij "romantisch" noemden. De stroming ontstond als een reactie op het rationalistische, op universele waarden georiënteerde neoclassicisme.Romantisch werd aanvankelijk gebruikt in de betekenis van: tegengesteld aan klassiek. Zij had in de basis een subjectief, idealistisch en individualistisch karakter. In de schilderkunst betekende dit doorgaans, in de woorden van Caspar David Friedrich, "dat een schilder niet alleen moet schilderen wat hij voor zich ziet, maar ook wat hij in zichzelf waarneemt. Als hij daar niets vindt, moet hij stoppen met schilderen wat hij voor zich ziet".Cf. Stephen Farthing: 1001 Schilderijen die je gezien moet hebben. Librero, 2012, blz. 367. Men verloor zichzelf in dromen. Doorgaans werd de werkelijkheid mooier weergegeven dan zij feitelijk was (esthetisering). Passie, emotie en persoonlijk ervaren sentiment vormden cruciale drijfveren. "Sehnsucht" (een soort van onbestemd verlangen) en "het sublieme" (de beleving van het grootse en onbevattelijke) ontwikkelden zich tot centrale begrippen.

Zo herkenbaar als de term "romantiek" doorgaans is voor het brede publiek, zoveel controverses zijn er in de kunstbeschouwing waar het gaat om een precieze afbakening van het begrip. Een zekere vaagheid in de definiëring kan niet worden ontkend. De subjectieve en persoonsgebonden zienswijze leidde binnen de schilderkunst tot heel verschillende uitingsvormen en stijlkenmerken, die qua typering regelmatig met elkaar in tegenspraak waren. Introversie en eenzaamheid stonden tegenover extraversie en theatraliteit, het pittoreske en het alledaagse tegenover het monumentale en groteske. Dan weer werd de term gebruikt in de nostalgische, dromerige betekenis van het woord, op andere momenten brachten de romantische kunstenaars een onheilspellende nachtzijde van het menselijk bestaan naar voren. Bindend is echter het "smachtend verlangen": een verlangen naar extreme ervaringen, om daarmee de zin van het bestaan te doorgronden en het leven tot een harmonieus geheel te maken.

thumb|Tommaso Minardi: Zelfportret op een zolderkamer, 1807, de kunstenaar in zijn studio, bevestiging van het gecreëerde beeld van het nog niet erkende, sociaal geïsoleerde genie, vervuld van "Weltschmerz". Uitgaande van het verlangen als verbindend begrip kunnen de grondtrekken van de romantische schilderkunst worden samengevat met a) het centraal stellen van de verbeeldingskracht, b) de focus op de individuele expressie en c) de onafhankelijkheid van de kunstenaar, die als genie zijn eigen weg kon kiezen. Rond 1800 betekende dit een ware omwenteling in de opvatting van wat kunst behoorde te zijn.

Thema's Thematisch was er in de tijd van de romantiek bovenal sprake van een hernieuwde belangstelling voor de landschapsschilderkunst. De intense beleving van de natuur en de verwondering over haar grootsheid stonden daarbij centraal. Landschappen waren echter niet het enige, integendeel. Zo uiteenlopend als de stijlkenmerken van de romantiek zijn, zo breed is ook de onderwerpskeuze van haar kunstschilders. Naast imposante landschappen en vergezichten kozen ze bijvoorbeeld veelvuldig voor literaire en historische onderwerpen. Die keuze houdt verband met de betovering van het verre, het onbekende, het verbeelde, als een vorm van escapisme. Dromen en nachtmerries waren evenzeer gewilde motieven. Daarnaast keerde de "romantische kijk" terug in eigenlijk alle andere denkbare thema's in de schilderkunst, van genrewerken tot marines en van portretten tot stillevens. Er was geen onderwerp dat buitengesloten werd, zo lang het maar als drager kon dienen voor de expressie van wat genoemd werd: "de romantische ziel".

Opvallend is dat de romantische kunstschilder vaak ook zichzelf tot onderwerp nam, melancholisch mijmerend, in bergen of bij ruïnes, soms in het eigen atelier. Het zelfportret vormde dan een bevestiging van het doorgaans gecreëerde beeld van het nog niet herkende, sociaal geïsoleerde genie, vervuld van "weltschmerz". Een belangrijk aspect van de romantische schilderkunst was de veranderde rol van de kunstenaar zelf. De romantiek betekende een nieuwe stijl van leven, een andere blik op de wereld. Dit uitte zich onder meer in een grote reislust onder de romantische schilders, die met name vaak naar Italië reisden, of ook wel naar de Rijnvallei. In een tijd dat reizen per trein nog niet aan de orde was, werden lange tochten gemaakt, regelmatig zelfs te voet. De zucht naar verre oorden onderstreepte "het romantisch verlangen".

Voorafgaande impulsen De beweging van de romantiek ontstond niet van de ene dag op de andere, maar had haar wortels in de tweede helft van de achttiende eeuw, een periode die ook wel vroegromantiek wordt genoemd. Pleitbezorgers van wat men toen "moderniteit" noemde, begonnen de houdbaarheid van de classicistische normen ter discussie te stellen. In plaats van een esthetiek op basis van onwrikbare waarden, die veelal golden binnen de elitaire klassen, ontwikkelde zich met name in Frankrijk en Engeland een leer over "het schone" op basis van eigen smaak en sensibiliteit.cf. Wolf, blz. 9-11, paragraaf Impulsen van de 18e eeuw. Het gevoel en de persoonlijke beleving van de kunstenaar kwamen centraal te staan. De grote Franse denker Montesquieu sprak van het "romanesque" wanneer hij het had over kunstenaars die afweken van het alledaagse en in creatieve extase zochten naar geniale invallen. Edmund Burke schreef in 1757 zijn vermaarde Een filosofisch onderzoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het sublieme en het schone, waarin hij de esthetiek beschreef van het ontzagwekkende en het verschrikkelijke ("het sublieme"). In dat licht dient gewezen te worden op de populariteit van het griezelverhaal in die tijd. Uit de aandacht voor ridderromans, waarin harde feiten werden vermengd met zachte fictie, bleek een toenemende belangstelling voor het verleden. Van belang waren ook de geschriften die William Gilpin en Uvedale Price schreven over het "picturesque", waarmee de aandacht op de schoonheid van het landschap werd gelegd. In Duitsland werd aangesloten bij de individualistische uitgangspunten van de Sturm und Drang beweging onder studenten en ontstond met name in de dichtkunst een hunkering naar het verre en onbekende.

De nieuwe ideeën verspreidden zich door Europa en kwamen ook tot uiting in de beeldende kunst. Enkele voorlopers van de romantische schilderkunst waren de Britten Hubert Robert, Joshua Reynolds, Thomas Gainsborough en Joseph Wright of Derby, de Duitsers Caspar Wolf en Johann Heinrich Wilhelm Tischbein en de Fransman Claude Joseph Vernet. Ook de naam van de Italiaanse graficus Giovanni Battista Piranesi kan hier worden genoemd: op grond van zijn voorliefde voor het fantastische en het extravagante opende hij de weg voor een geheel nieuwe manier van kunstbeleving, niet meer per se geënt op het schoonheidsbegrip. Verder terug in de tijd vonden de kunstschilders uit de romantiek vaak inspiratie bij barokke voorgangers als Claude Lorrain, Nicolas Poussin en Salvator Rosa. Verder was El Greco voor veel romantici een voorbeeld.

In Nederland zou de romantische beweging vooral gevoed worden door een lange traditie van landschapsschilderkunst, die terugging tot de zeventiende eeuw met bijvoorbeeld Jacob en Salomon van Ruysdael en Jan van Goyen. Aan het einde van de achttiende eeuw was er ook een onmiskenbare invloed vanuit de Duitse schilderkunst waarneembaar, met het werk van Jan Ekels de Jonge als typerend voorbeeld. In België werd veelal teruggegrepen op Pieter Paul Rubens en Antoon van Dyck.

Verschillen per land De romantische schilderkunst kreeg tussen 1800 en 1850 in onderscheiden westerse landen een sterk verschillende invulling, steeds weer andere aspecten benadrukkend. Er was onmiskenbaar sprake van een gezamenlijke stijl binnen de Europese kunst, met sterk verbindende elementen, maar per land en zelfs regio manifesteerde het zich in uiteenlopende gedaantes.Cf. Frederik Leen in "De romantiek in België", blz. 9. Duitsland, Engeland en Frankrijk golden als toonaangevend, maar ook in Nederland, België en andere landen kreeg het steeds een eigen, authentieke invulling. Hierna worden de kenmerken en ontwikkelingen voor de belangrijkste landen beschreven.

Romantische schilderkunst in het Duitse Rijk De romantische school ontwikkelde zich begin 19e eeuw vrij breed in het Duitse Rijk.Dat Duitsland als bakermat van de romantiek wordt beschouwd, betekent niet zozeer dat de ontwikkelingen daar zijn gestart, maar vooral dat het daar het meest integraal deel uitmaakte van de totale cultuur. Cf. Wolf, blz. 14. Zeker nadat het land korte tijd later onder de voet werd gelopen door de legers van Napoleon, werd er nadrukkelijk gezocht naar een eigen identiteit. Inspiratie werd gevonden in de nationalistische ideeën van de filosoof Johann Gottfried Herder, het subjectivisme van de broers Friedrich en August Wilhelm von Schlegel, de meer mystieke filosofie van Hegel, individualistische aspecten uit het werk van de staatsman en schrijver Johann Wolfgang von Goethe en bij nostalgische schrijvers als Novalis en Joseph von Eichendorff. Schilderkunst, filosofie en literatuur waren in het Duitsland van het einde van de achttiende eeuw nauw verweven, met name in de gebieden waar een grote meerderheid van de bevolking protestants was geworden. De belangrijkste exponent van de nieuwe schilderkunst was Caspar David Friedrich, die de nieuwe transcendente ideeën als geen ander wist te visualiseren. Zijn werken hebben iets verhevens, doen bijna onwerkelijk aan. Zelf verwoordde de gelovige Friedrich zijn visie als volgt: "Zoals de gelovige bidt zonder een woord te spreken, en God hem toch een oor leent, zo schildert de kunstenaar vanuit het ware gevoel, en de kunstliefhebber begrijpt het, herkent het".Cf. Honour en Fleming, blz. 609. Het ging hem om de persoonlijke beleving. Friedrich en andere schilders, Karl Friedrich Lessing (Düsseldorfer Schule), Carl Gustav Carus (Dresden), Ludwig Richter (Dresden), Carl Spitzweg (München), Georg Friedrich Kersting (Kopenhagen, Dresden) en Carl Blechen (Berlijn), stelden de subjectieve beleving centraal, soms als een bijna goddelijke ervaring, met name in de natuur. Ook de Tiroler Joseph Anton Koch (Rome) kan thematisch in deze traditie worden geplaatst. Philipp Otto Runge (Hamburg) en Gerhard von Kügelgen (Bonn, Dresden) legden zich meer toe op de portretkunst.