De Munster van Konstanz of de Onze-Lieve-Vrouwemunster (Duits: Konstanzer Münster; Münster Unserer Lieben Frau) is een basilica minor in Konstanz aan de Bodensee (Baden-Württemberg). De voormalige bisschopskerk heeft als schutspatronen de Maagd Maria en de schutspatronen van het voormalige bisdom Konstanz: Sint-Pelagius en Koenraad van Konstanz.

De geschiedenis van de munsterkerk gaat terug op de stichtingstijd van de bisschopszetel rond het jaar 600 na Chr. en werd in 780 voor het eerst genoemd. Twaalf eeuwen lang was het de kathedrale kerk van de bisschoppen van Konstanz. In de jaren 1414-1418 vonden hier de zittingen plaats van het concilie van Konstanz. Sinds de opheffing van het bisdom in 1821 is de munsterkerk een katholieke parochiekerk.

Architectonisch betreft de huidige bouw een van de grootste romaanse kerken van Zuidwest-Duitsland. De drieschepige zuilenbasiliek met een kruisvormige plattegrond werd in het jaar 1089 ingewijd en kent door het westelijke torenfront met het portaal uit de 12e–15e eeuw, de zijkapellen uit de 15e eeuw en vooral ook dankzij de neogotische torenspits uit de 19e eeuw een sterk gotisch aanzien.

Een bijzondere bestemming voor pelgrims betreft de romaanse Mauritiusrotonde met een in kunsthistorisch opzicht belangrijk Heilig-grafmonument uit de vroege gotiek. De munster is tot op de dag van vandaag het hoogste gebouw in de historische binnenstad en drukt met de markante vormen nog altijd een stempel op het stadsbeeld.

Geschiedenis en architectuur thumb|links|Konstanz in de late middeleeuwen met de oudst bewaarde voorstelling van de munster (Stadskroniek van Gebhard Dacher, 1472–1476) thumb|links|Het Heilig Graf in de Mauritiusrotonde thumb|links|De gotische kruisgang

Op het hoogste punt van het huidige stadsgebied, zo'n zes tot zeven meter boven de waterspiegel van de Bodensee, liet het bisdom Konstanz, dat rond 585 werd gesticht, een eerste bisschopskerk oprichten. Hier lag in de prehistorische tijd een smalle, door water en moeras omgeven en slechts vanuit het zuiden toegankelijke landtong. Kelten bewoonden het gebied reeds rond 120 voor Christus en in de derde en vierde eeuw lieten de Romeinen hier verdedigingswerken aanleggen, om zo de nieuwe noordgrens van het Romeinse Rijk veilig te stellen. Archeologische vondsten bewijzen dat hier rond het jaar 300 een stenen kasteel moet hebben gestaan, het naar keizer Constantius Chlorus genoemde Constantia. Na de militaire aftocht van de Romeinen in de winter van 401-402 bleef een gemengde bevolking van Romeinen en Kelten achter, die zich reeds tot het christendom hadden bekeerd maar in de loop van de volgende twee eeuwen door de nog niet gekerstende Alamannen verdreven werden.

De bisschopszetel diende als steunpunt om van daaruit de Alamannen te kerstenen. In deze tijd moet er reeds een eerste kerk zijn geweest, die aan de Maagd Maria was gewijd. Deze kerk stond vermoedelijk binnen de oude muren van het Romeinse kasteel. Uit een heiligenbeschrijving uit de achtste eeuw van de heilige Gallus maakt men op dat de bisschopskerk reeds in 615 bestond. De Mariakerk wordt echter in het jaar 780 voor het eerst in een oorkonde genoemd. Iets verder zuidelijk stond de oudere Romeinse Stefanusbasiliek, die eveneens in de Gallus-vita werd genoemd en onder de Franken vermoedelijk als parochiekerk werd gebruikt. Ten noorden van de Maria-kathedraal vestigden zich de vissers, de ambachtslieden en de ministerialen van het bisschoppelijk hof en stichtten daarmee het tegenwoordig oudste stadsdeel, de Niederburg. Zo groeide geleidelijk rond de Mariakerk een nederzetting, die pas in de hoge middeleeuwen een omvang van enige betekenis bereikte.

Karolingische en Ottoonse tijd In de eerste helft van de negende eeuw ontstond waarschijnlijk een karolingische nieuwbouw als bisschopskerk. Vermoedelijk betrof het een drieschepige basiliek zonder transept en met een koor, een aanname die voornamelijk wordt gebaseerd op grond van het idee dat de eerste kloosterkerk van de abdij van Sankt-Gallen als voorbeeld voor de nieuwbouw heeft gediend. Rond het midden van de negende of in het begin van de tiende eeuw werd vermoedelijk voor de gebeenten van de heilige Pelagius een crypte uitgegraven en later vergroot. Bisschop Koenraad van Konstanz (c. 900-975) had de ambitie om van Konstanz een tweede Rome te maken en liet rond de kerk, die net als de Santa Maria Maggiore aan Maria was gewijd, een krans van parochiekerken bouwen: een Sint-Johanneskerk (overeenkomstig de Sint-Jan van Lateranen), een Laurentiuskerk (Sint-Laurens buiten de Muren), een Pauluskerk (Sint-Paulus buiten de Muren). Zijn neef en opvolger Gebhard II (979–995) voltooide later de krans met de bouw van de kloosterkerk van de abdij Petershausen (analoog aan de Petruskerk, maar dan in kleiner formaat). Koenraad liet eveneens de Mauritiusrotonde ten noordoosten van de munster bouwen, een vereenvoudigde versie van de grafkerk in Jeruzalem. Hij wijdde de kapel aan de ottoonse rijksheilige Mauritius. Onder andere wegens de kerkstichtingen werden in de twaalfde eeuw zowel Koenraad als Gebhard heilig verklaard. Koenraad werd zelfs de tweede kerkpatroon van zowel de munster als het bisdom.

Rond het jaar 1000 Uit de periode rond de millenniumwisseling stammen de oudste bovengrondse structuren van de munsterkerk. Deze bouwfase onder bisschop Lambertus (995?–1018) geldt tegelijkertijd als het belangrijkste romaanse kerkgebouw van Zuidwest-Duitsland. Het oostelijke deel van de karolingische kerk werd voorzien van transeptarmen en een nieuw koor, waarmee de plattegrond van de kerk een kruisvorm kreeg. Het kerkschip daarentegen bleef grotendeels bestaan. Door een onbekende oorzaak stortte echter het kerkschip in 1052 in. Onmiddellijk werd begonnen met de herbouw en vanaf 1054 werd aan het weinig beschadigde transept een nieuw, driebeukig kerkschip aangebouwd. De bouw strekte zich wegens twisten over een lange periode uit en de wijding van de nieuwbouw vond pas in 1089 door bisschop Gebhard III van Zähringen (1084–1110) plaats. Het kerkgebouw had geen torens en de transeptarmen werden met de nieuwbouw op gelijke hoogte gebracht. De zuilen van deze kerk met de eenvoudige achthoekige kapitelen drukken tot op de dag van vandaag een belangrijk stempel op het interieur van het gebouw.

Al in de vroege middeleeuwen was de kathedraalheuvel in Konstanz een belangrijk geestelijk centrum. In een tijd dat het inwoneraantal van Konstanz dat van een dorp nauwelijks naderde, vestigde zich rond de bisschopszetel een twaalftal kloosters van verschillende orden. In 1237 werd Konstanz een vrije rijksstad. In 1308 koos de stad voor het eerst een eigen burgemeester, waarmee ze haar onafhankelijkheid jegens de keurvorsten onderstreepte. De macht van de bisschoppen brokkelde zowel in het rijk als in de stad af. Dit werd nog eens verslechterd door interne opvolgingstwisten, zoals na de dood van bisschop Hendrik van Klingenberg. Hierdoor boekten de bouwwerkzaamheden aan de kerk tussen 1320 tot de tijd van het concilie slechts moeizaam voortgang.

Sinds de tiende eeuw was de munsterheuvel met ommuring versterkt en tot een kleine, maar representatieve residentie uitgebouwd. Ten zuiden van de munster strekte zich de geestelijke stad uit, waarvan de gebouwen in de negentiende eeuw grotendeels verloren gingen. De ruimte voor de kerk diende als kerkhof en hier liep ook de belangrijkste verkeersader van de stad tussen de rond 1200 gebouwde brug over de Rijn en de ten zuiden van het domgebied gelegen nederzetting voor de gewone mensen met het marktplein bij de Stefanuskerk. Ten noorden van de munster stonden een vergaderzaal voor het domkapittel, een bibliotheek, bedrijfsgebouwen en de in 1824 afgebrande zogenoemde Stauff, dat als herberg en pakhuis diende. Bij de munster stond eveneens een domschool voor vorming en studie. In de vroege middeleeuwen vormden de aan de domkerk verbonden geestelijken een kloosterachtige gemeenschap, waarbinnen men in een beperkte ruimte samenleefde en de dagelijkse vieringen gemeenschappelijk verrichtte. In de twaalfde eeuw werd deze vorm van samenleven van de domheren opgeheven en in plaats daarvan begonnen de domheren huizen te verwerven, die in een halve cirkel rond het kerkhof en, tussen de huizen van de gildeleden en welgestelden, in het stadsdeel Niederburg stonden.

Torenbouw en opkomst van de gotiek Omstreeks 1100 werd aangevangen met de bouw van de dubbele torengevel. Een noordelijke toren stortte in 1128 in en moest vanaf de twee onderste verdiepingen worden herbouwd. Pas ruim driehonderd jaar na de bouwstart van de noordelijke toren voltooide men in 1378 de zuidelijke toren. Beide torens droegen met lood bedekte spitsen. Vanaf 1200 werd bovendien begonnen met de bouw van een spits boven de viering. Een brand op 15 september 1299 vernietigde echter deze toren met daarin drie klokken. Een eenvoudige dakruiter volgde de toren op, die tot heden herhaaldelijk vernieuwd werd.

Nadat het kerkschip en de altaarruimten een definitieve vorm hadden gekregen en de bouw van de torens niet echt opschoot, verlegden de opeenvolgende bisschoppen hun aandacht naar het moderniseren van de munsterkerk in de stijl van de gotiek, die zich in de late dertiende eeuw in het gebied begon te manifesteren. Rond 1260 ontstond het filigraan gevormde Heilig Graf in de Mauritiusrotonde. Nieuwe bouwactiviteiten vonden in 1300 plaats met de toevoeging van een rechthoekig kloostergebouw in gotische stijl aan de noordelijke kant van de kerk. Het bouwbegin van de in 1320 voltooide kruisgang en de vernieuwingen aan de Koenraad- en Mauritiuskapel behoren tot de ingrijpendste bouwmaatregelen onder bisschop Hendrik II van Klingenberg (1293–1306). De aan nieuwe twisten rond de bisschopszetel te wijten lange bouwduur van de kruisgang resulteerde in een stijlbreuk tussen de zuidelijke en de nieuwere oostelijke vleugel.

Concilie thumb|links|Concilie van Konstanz Van 1414 tot 1418 werd het concilie van Konstanz gehouden, het grootste middeleeuwse christelijke congres ten noorden van de Alpen. Tegenpaus Johannes XXIII, koning Sigismund, talrijke kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen met duizenden bedienden, diplomaten, theologen, geleerden, kooplieden en ambachtsliedenen uit heel Europa streken nu in Konstanz neer.

De kathedraal was de officiële plaats waar de 45 zittingen en de grote liturigische plechtigheden plaatsvonden. Na verhitte debatten viel hier ook op de vijftiende zittingsdag op 6 juli 1415 het doodsoordeel over de Tsjechische hervormer Johannes Hus, die nog dezelfde dag buiten de stad verbrand werd.

Tijdens de verkiezing van de nieuwe paus Martinus V, dat een einde aan het Avondlandse schisma maakte, vonden zijn priester- en bisschopswijding in de kathedraal en zijn kroning op 21 november 1417 op een tribune op het voorplein van de munsterkerk plaats.

Een grafzerk voor de trappen naar het hoogkoor, vervaardigd door Engelse handwerklieden, herinnert ook tegenwoordig nog aan bisschop Robert Hallum van Salisbury, die hier in 1417 tijdens het concilie stierf en begraven ligt.

Laatgotische vernieuwing thumb|links|De wenteltrap, de zogenaamde Schnegg thumb|Onuitgevoerd ontwerp na de brand van 1511 (Wiesbaden, Hessissch staatsarchief) Het concilie bracht het bisdom tijdelijk economische voorspoed, zodat vanaf 1423 een nieuwe reeks aan bouwactiviteiten van start gingen. De verbouwingen duurden ruim een eeuw en gaven de kerk goeddeels het huidige aanzien. Zeer bouwlustig was bisschop Otto III van Hachberg (1410–1434), die door kritische tijdgenoten er van beschuldigd werd het bisdom met grote schulden op te zadelen.