thumb|Jacob Emil van Hoogstraten in 1947 Jacob Emil (Dick) van Hoogstraten (Eerbeek, 26 maart 1898 – Den Haag, 17 maart 1991) was een Nederlands ambtenaar in Nederlands-Indië (nu Indonesië) gedurende 1922-1942 en directeur van het Departement van Economische Zaken daar gedurende 1942-1949. Hij was een van de architecten van het economisch herstelbeleid na de crisis van de jaren '30 en van het herstel van de economische malaise veroorzaakt door de Japanse bezetting in het begin van de jaren '40.

Biografie

Afkomst Van Hoogstraten was geboren in Eerbeek in 1898 in het geslacht Van Hoogstraten waarvan de afkomst teruggaat tot de 16e eeuw. Zijn vader, Gerard van Hoogstraten (1870-1920), was een dominee in de Nederlands Hervormde Kerk in Eerbeek. Zijn moeder, Amanda Augusta Schoch (1869-1951), was een bekende redactrice en schrijfster van romans met een christelijk-filosofische inslag. Van Hoogstraten volgde de lagere en middelbare school in het nabij gelegen Apeldoorn.

Hij deed zijn kandidaatsexamen in de Rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht in 1920.De Telegraaf (20 maart 1920) Zoals destijds gewoonlijk was promoveerde hij later dat jaar op stellingen tot Doctor aan dezelfde universiteit.De Telegraaf (10 november 1920) Na zijn militaire dienst werd hij benoemd tot ambtenaar in Nederlands-Indië in juli 1922.Bataviaasch Nieuwsblad (24 juli 1922) Voor zijn vertrek naar Nederlands-Indië huwde hij Johanna Wilhelmina (Angy) Sanders (1900-1958) op 20 september 1922 in Lausanne (Zwitserland).Nederland's Patriciaat 51 (1965) 64 Zij was de dochter van Johannes Jacobus Sanders (1851-1934), predikant, en Susanne Marianne Ramann (1857-1907).

Koloniale overheidsdienst (jaren '20) Tegen het einde van 1922, begon Van Hoogstraten te werken aan de algemene secretarie in Buitenzorg (nu Bogor), in dienst van de gouverneur-generaal.Bataviaasch Nieuwsblad (11 november 1922) In Buitenzorg kregen Van Hoogstraten en zijn vrouw vier kinderen: Gheret Samuel (1923-2008), Susanne Marianne (geboren in 1924), Jean Gustave Ulric (1927-1990) en Dirk Hans (1933-2002).

Van Hoogstraten nam andere verantwoordelijkheden aan, zoals het lidmaatschap van de Regentschapsraad in Buitenzorg gedurende 1925-1928 en 1933-1935, die de plaatselijke regent van het regentschap (nu kabupaten) van advies diende.Bataviaasch Nieuwsblad (15 oktober 1925 en 28 oktober 1933) Hij werkte kort aan het Departement van Onderwijs en Eeredienst gedurende de eerste helft van 1927.Bataviaasch Nieuwsblad (17 december 1926 en 8 juni 1927) Zoals gewoonlijk was in koloniaal Indonesië kreeg hij Europees verlof in 1928 na zes jaar in overheidsdienst, in zijn geval acht maanden.Bataviaasch Nieuwsblad (10 januari 1928) Met zijn familie vertrok hij in november 1928 en bracht verschillende maanden door in Lausanne voor zijn terugkeer in maart 1930.Algemeen Handelsblad (19 december 1928); Het Vaderland (25 maart 1930)

In april 1930, keerde Van Hoogstraten terug naar de Algemene Secretarie.Bataviaasch Nieuwsblad (25 april 1930) Niet lang daarna werd hij benoemd tot secretaris van een officiële commissie van onderzoek naar het persagentschap AnetaBataviaasch Nieuwsblad (24 mei 1930) en later tot hoofd van de afdeling voor overheidspublicaties.Sumatra Post (4 december 1930) De commissie bevestigde beschuldigingen geuit in de Volksraad over het gebrek aan onpartijdigheid in Aneta's persberichten en het misbruik door het persagentschap van het het feit dat het een bijna-monopolie op de nieuwsvoorziening in Nederlands-Indië had.Bataviaasch Nieuwsblad (27 mei 1931) Het is niet geheel duidelijk wat Van Hoogstratens bijdrage aan het werk van de commissie was, maar wellicht was het boven verwachting, want hij werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw in augustus 1931.Bataviaasch Nieuwsblad (29 augustus 1931) In december 1931 werd hij ook benoemd tot secretaris van de Raad van Departementshoofden.Indische Courant (1 december 1931)

Economische crisis en herstel (1933-1941) Behalve secretaris van de Raad van Departementshoofden, werd Van Hoogstraten ook secretaris van de ondercommissie voor economische zaken van de Raad in augustus 1933. Van dat moment tot 1950 werd zijn taak in overheidsdienst zeer tijdrovend. Als secretaris van de ondercommissie kwam hij onder de aandacht van het nieuwe Departement van Economische Zaken dat in 1934 werd opgericht met Edmund P. Wellenstein als directeur. In mei 1934 kwam hij in dienst van het Departement als hoofd van de afdeling voor buitenlandse handelsbetrekkingen.Bataviaasch Nieuwsblad (31 mei 1934) Hij werd meteen toegevoegd aan de Nederlandse delegatie die de uiteindelijk mislukte bilaterale Hart-Nagaoka handelsbesprekingen voerde met Japan die plaatsvonden in Buitenzorg gedurende september-december 1934. Vanaf april 1935, was Van Hoogstraten ook hoofd van de afdeling voor crisismaatregelen.

Sinds mei 1934, namen Van Hoogstratens verantwoordelijkheden snel toe en moest hij de sociale activiteiten in verband met zijn geloof verminderen. De belangrijkste reden voor Van Hoogstraten toenemende werkdruk was het feit dat Nederlands-Indië erg te lijden had van de gevolgen van de wereldcrisis van de eerste helft van de jaren '30. De invoerbeperkingen die andere landen afkondigden veroorzaakten grote overproductie van suiker, rubber, thee en andere uitvoergoederen in Nederlands-Indië, terwijl de snelle toename van de invoer van textiel uit Japan de invoer van textiel uit Nederland en ook de activiteit in de lokale textielindustrie in Nederlands-Indië verminderde. Van Hoogstratens Departement gebruikte directe overheidsmaatregelen om de consequenties van de crisis te verminderen, in de vorm van een nauwgezet systeem van invoerbeperkingen met het doel om de industrie en de voedsellandbouw, met name van rijst, in Nederlands-Indië te beschermen en aan te moedigen.

Het systeem van invoerbeperkingen werd steeds meer gedetailleerd en ook afhankelijk van bilaterale onderhandelingen met Nederland en met bestaande en potentieel nieuwe handelspartners, zoals India en Thailand (maart 1936), Japan en China (mei 1937) en Australië (november 1941). Van Hoogstraten nam deel aan en leidde delegaties naar deze landen om handelsmogelijkheden, handelsconcessies en ook scheepvaartverbindingen te bespreken. Bovendien maakten de invoerbeperkingen in Nederlands-Indië regelmatig overleg met vertegenwoordigers van importeurs noodzakelijk, zoals met rijstimporteurs in Medan om het regeringsverbod op rijstinvoer uit te leggen in mei 1937.Sumatra Post (10 mei 1937) De invoerconcessies die andere landen aan Nederlands-Indië gaven voor bepaalde producten noodzaakten beprekende maatregelen op uitvoer, en ook productie en prijzen, hetgeen samenwerking met diverse nieuwe semipublieke organisaties van producenten en exporteurs van bepaalde producten noodzakelijk maakte.Indische Courant (21 juli 1937); Sumatra Post (30 juli 1941)

Ondanks deze bezigheden ontving Van Hoogstraten wederom Europees verlof gedurende april-oktober 1936, na een verder zes jaar in overheidsdienst. Waarschijnlijk reisde hij zijn vrouw na, die al in oktober 1935 naar Nederland was vertrokken met hun twee jongste kinderen.Indische Courant (20 oktober 1935)

Bij zijn terugkomst, en nog steeds jonger dan veertig, was Van Hoogstraten een van de hoogste ambtenaren op het Departement van Economische Zaken. Nadat in 1937 Hubertus J. van Mook, Directeur van het Departement werd, werkten beiden samen om de handelspolitiek van Nederlands-Indië te coördineren en uit te voeren. In feite was Van Hoogstraten de plaatsvervanger van Van Mook op dit terrein van economische politiek. Het is waarschijnlijk dat hun samenwerking gebaseerd was op een gedeelde overtuiging dat de toekomst van Nederlands-Indië beter gediend zou zijn als Nederland een grotere mate van zelfbestuur zou toekennen.

Van Mook en Van Hoogstraten leidden de moeizame verdere handelsbesprekingen met Japanse vertegenwoordigers in 1938 en in 1940-1941. Zij moesten ook de moeilijkheid onder ogen zien dat Nederland eigenlijk weinig te bieden had met betrekking tot het veiligstellen van buitenlandse markten in de regio voor de exportproducten van Nederlands-Indië. Het was Van Hoogstratens verantwoordelijkheid om de principes en details van de economische samenwerking tussen Nederland en Nederlands-Indië te bespreken met de Nederlandse regering gedurende 1939-1940. Dit vereiste dat hij de uiteenlopende interesses van Nederland in de buitenlandse handel – met name Indische ontvangsten in buitenlandse valuta – met die van Nederlands-Indië in overeenstemming trachtte te brengen.

Japanse bezetting (1942-1945) Toen de Nederlandse regering in ballingschap Van Mook als luitenant gouverneur-generaal aanstelde in januari 1942, werd Van Hoogstraten directeur van het departement van economische zaken. Samen met Van Mook vloog hij naar Australië op 7 maart 1942, net voor de val van Java aan de Japanners. Een maand later werd Van Mook naar Londen geroepen om daar het ambt van minister van koloniën in de Nederlandse regering, naast dat van luitenant gouverneur-generaal te aanvaarden. Hij liet de verantwoording voor het organiseren van het Netherlands East Indies Commission for Australia and New Zealand (NEICANZ) aan Van Hoogstraten. Dit orgaan was effectief de regering van Nederlands-Indië in ballingschap in Melbourne. Het werkte met de Australische regering om de terugkeer naar Nederlands-Indië na de oorlog voor te bereiden.

Als minister schafte Van Mook in juli 1944 het NEICANZ af om plaats te maken voor diverse departementen, met Van Hoogstraten in de positie van directeur voor economische zaken en plaatsvervangend algemene secretaris van de Raad van Departementshoofden, wat effectief de regering van Nederlands-Indië in ballingschap werd. De raad werkte met de US Allied Supreme Commander of the South West Pacific Area, generaal Douglas MacArthur, en zette de Nederlandsch-Indische Civiele Administratie (NICA) op, een overheidsdienst die gereed zou zijn om naar Nederlands-Indië terug te keren na de oorlog met de geallieerde strijdmachten om er de burgerlijke administratie te hervatten. Na Van Mooks terugkeer naar Australië in september 1944 verhuisde de regering in ballingschap naar Brisbane waar het de werkzaamheden voor de terugkeer naar Nederlands-Indië en ook de noodzakelijke hulp en herstel werkzaamheden voortzette.

Dekolonisatie (1945-1949) Tijdens de Japanse overgave in augustus 1945 was Van Hoogstraten in Nederland, dat enkele maanden eerder was bevrijd.De Maasbode (15 augustus 1945) Hij keerde meteen op 17 augustus naar Nederlands-Indië terug.Financieel Dagblad (27 augustus 1945) Terug in Jakarta legde hij, met NICA ondersteuning, beslag als Directeur van Economische Zaken op de faciliteiten van het Departement en startte de voorbereiding van de economische politiek voor het economisch herstel van het land. En van de eerste maatregelen van het Departement was om de buitenlandse handel onder controle te brengen en te laten monopoliseren door de Nederlandsch-Indische Gemeenschappelijke Import en Export Organisatie. Deze instantie was in Melbourne in 1944 opgericht om na de oorlog alle buitenlandse handel van vergunningen afhankelijk te maken en zo de regering de verdiende valuta aan de invoer van goederen van belang voor het economisch herstel toe te wijzen.Het Dagblad (14 december 1945 en 24 december 1945)