De Libanonoorlog van 1982 of Israëlisch-Libanese Oorlog van 1982, door Libanon Invasie van 1982 (Arabisch: الاجتياح, Al-ijtiyāḥ) en door Israël Operatie Vrede voor Galilea genoemd (Hebreeuws: מבצע שלום הגליל, of מבצע של"ג Mivtsa Sjlom HaGalil of Mivtsa Sjeleg), is een militair conflict dat in 1982 op het grondgebied van Libanon werd uitgevochten door Israël en verschillende christelijke Libanese milities enerzijds en de PLO en Syrië anderzijds.

Na 1970 bouwde de PLO een sterke machtspositie op in het zuiden van Libanon. In 1975 brak de Libanese burgeroorlog uit. Syrië stuurde een grote vredesmacht het land in. Die kon niet verhinderen dat de PLO regelmatig Israël beschoot en de Israëlische luchtmacht Palestijnse vluchtelingenkampen bombardeerde. In 1978 trok Israël het zuiden van Libanon binnen tot aan de Litani. Daarna poogde Unifil daar de vrede te bewaren. Hierop bleef het relatief rustig aan de grens. Premier Menachem Begin en minister van defensie Ariel Sharon echter wilden geen Palestijnse vrijstaat aan hun noordgrens aanvaarden. Samen met de Libanese christelijke falangisten beraamden ze een grote invasie. Onder het voorwendsel het noorden van Israël buiten het bereik van de Palestijnse artillerie te brengen wilde men Beiroet veroveren en daarna het Syrische leger aanvallen. De PLO en Syrië moesten geheel uit Libanon verdreven worden en een christelijk falangistisch regime geïnstalleerd. Deze opzet werd zowel voor de rest van het kabinet als de Israëlische strijdkrachten verborgen gehouden. Een aanslag werd als aanleiding gebruikt om tot de aanval over te gaan.

Israël viel op 6 juni 1982 Libanon binnen. De PLA werd naar het noorden gedreven. Kampen in Tyrus en Sidon werden na bloedige gevechten veroverd. Op 9 juni vernietigde de Israëlische luchtmacht de Syrische gordel van luchtafweerraketten in de Bekaavalei. Vele tientallen Syrische straaljagers werden neergehaald in luchtgevechten. Anders dan Sharon gehoopt had, sloeg het Syrische leger niet op de vlucht. De Israëlische opmars richting de hoofdweg naar Damascus liep vast. Op 11 juni werd er een wapenstilstand gesloten tussen Israël en Syrië. Nadat de PLO ingesloten geraakt was in Beiroet, werd de stad belegerd en zwaar gebombardeerd. De PLO werd van 21 augustus 1982 af door een internationale vredesmacht uit Beiroet geëvacueerd. In september 1982 werden bloedbaden aangericht in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Dat leidde tot grote internationale verontwaardiging en de opkomst van een belangrijke vredesbeweging in Israël.

In 1985 trok het Israëlische leger zich terug naar het zuiden van het land. Daar won een nieuwe tegenstander aan kracht: Hezbollah. In 2000 zou Israël het laatste Libanese grondgebied ontruimen, tenzij op de Golan de strook met de Shebaa-boerderijen als Libanees territoir beschouwd moet worden. In 2006 brak een tweede oorlog uit. Nog steeds is de grensregio onrustig.

Achtergronden thumb|De burgeroorlog leidde tot grote verwoestingen in Libanon Tot 1970 had de PLO een belangrijke aanwezigheid in Jordanië. Dat jaar kwam het tot een gewapend conflict met koning Hoessein van Jordanië en week de PLO uit naar het zuiden van Libanon, waar ze een mate van autonomie genoot als gevolg van het Akkoord van Caïro van 3 november 1969.Maoz (2006), p. 175 De machtsbalans tussen de verschillende christelijke en islamitische bevolkingsgroepen raakte hierdoor verstoord. Dit was een belangrijke factor in het uitbreken van de Libanese Burgeroorlog begin 1975. In 1976 kwam het tot een militaire interventie van Syrië in de burgeroorlog, in eerste instantie aan de zijde van de christenen.Collelo (1987), p. 192 Het lukte Syrië echter niet om de PLO onder volledige controle te brengen omdat Israël geen Syrische opmars ten zuiden van Sidon aanvaardde.Collelo (1987), p. 194 In de jaren daarna vonden een reeks gewelddadige confrontaties plaats, waarbij de PLO terreuraanslagen en beschietingen uitvoerde op Israëlisch grondgebied en Israël Palestijnse guerrillabases in Libanon bombardeerde.Katz (1985), p. 10 Israël probeerde daarbij een veiligheidszone langs de grens te scheppen die beheerst werd door het Zuid-Libanese Leger, een christelijke militie.

In maart 1978 dreigde het Zuid-Libanese leger het te begeven onder Palestijnse aanvallen. Met als aanleiding een ernstige terreuraanslag door Palestijnse commando's bij Tel Aviv, schoot het Israëlische leger de christelijke militie te hulp in Operatie Litani waarin tot de rivier de Litani werd opgerukt, de Palestijnse strijdgroepen verdrijvend.Collelo (1987), p. 174 De actie bracht een grote vluchtelingenstroom op gang. In reactie hierop zonden de Verenigde Naties een vredesmacht, UNIFIL, om de vrede te bewaren in een veiligheidszone ten noorden van de Israëlisch-Libanese grens. In juni 1978 trokken de Israëlische troepen zich uit Libanon terug. In 1979 bouwde de PLO haar militaire aanwezigheid in het gebied ten zuiden van de Litani weer op tot ongeveer zevenhonderd strijders, wat een reeks Israëlische bombardementen uitlokte en een nieuwe vluchtelingenstroom op gang bracht. In de jaren daarna deed de PLO haar best Israël zo min mogelijk te provoceren. Tussen Operatie Litani en april 1981 vonden vijftig Palestijnse beschietingen van Israëlisch grondgebied plaats met als gevolg tien doden en zevenenvijftig gewonden, wat een duidelijke vermindering was ten opzichte van de periode ervoor.Maoz (2006), p. 176 Dit was geen effect van een wederzijds met rust laten: er stonden tweeëndertig kleinere Israëlische invallen of bombardementen op Libanees grondgebied tegenover met ongeveer 1200 Palestijnse slachtoffers als gevolg. De Israëlische militaire inlichtingendiensten vonden de Palestijnse zelfbeperking erg verdacht. Hun verklaring was dat de PLO in relatieve rust haar militaire structuur wilde hervormen. In plaats van losse guerrillagroepen, werden drie reguliere infanteriebrigades opgericht, mogelijk met het doel Galilea binnen te vallen. De regering van Menachem Begin toonde zich hierover zeer verontrust.Maoz (2006), p. 177

In het voorjaar van 1981 begon Begin nauwer samen te werken met de Maronitische christenen om de hegemonie van Syrië in Libanon te breken. De Maronieten veroverden in april 1981 de stad Zahle, waar een Syrisch hoofdkwartier gevestigd was, met als doel een oorlog tussen Israël en Syrië uit te lokken.Collelo (1987), p. 199 Tijdens een Syrisch tegenoffensief schoot de Israëlische luchtmacht op 28 april twee Mil Mi-8 transporthelikopters neer.Katz (1988), p. 97 De Syriërs stationeerden hierop "SAM-6" luchtdoelraketbatterijen in het zuiden van de Bekaavallei, wat Israëls vermogen vrij in het luchtruim boven het zuiden van Libanon te opereren bedreigde. Alleen Amerikaanse bemiddeling voorkwam een directe oorlog tussen Israël en Syrië; Bashir Gemayel, de leider van de Maronitische falangisten, ontruimde Zahle.Collelo (1987), p. 200 thumb|Philip Habib Op 28 mei 1981 begon een langdurige Israëlische campagne van bombardementen op Zuid-Libanon met als doel de militaire kampen van de PLO grotendeels te vernietigen. Toen de Palestijnen begrepen dat terughoudendheid de aanvallen niet zou beëindigen, beschoten ze op 15 juli de Israëlische stad Nahariya. Als vergelding bombardeerde de Israëlische luchtmacht Palestijnse vluchtelingenkampen in Beiroet waar een honderdtal doden viel. In reactie hierop begon de PLO het hele noorden van Galilea met artillerie en raketartillerie te bestoken waarbij een duizendtal granaten en ongeleide raketten werden afgeschoten met zes doden en negenenvijftig gewonden als gevolg. Onder de burgerbevolking van dit gebied brak paniek uit: 40% van de inwoners van Kirjat Sjmona vluchtte naar het zuiden. Iets dergelijks was nooit eerder gebeurd en Begin die zijn handen vol had aan het vormen van een nieuw kabinet na de verkiezingen van 30 juni, zag zich gedwongen bemiddeling te aanvaarden van de Amerikaanse gezant Philip Habib die op 24 juli een staakt-het-vuren tot stand bracht.Collelo (1987), p. 201 Begin ervoer dit als een grote blamage. thumb|left|Begin, rechts, bij de installatie van zijn tweede kabinet Op 5 augustus 1981 formeerde Begin zijn tweede kabinet. Meer gematigde politici als Ezer Weizman en Mosje Dajan waren al eerder uit het eerste kabinet Begin opgestapt en de rechtervleugel van de Likoed werd nu dominant, gepersonifieerd door de minister van buitenlandse zaken Yitzhak Shamir. Ariel Sharon, die eerst minister van landbouw was, werd minister van defensie. Begin had die functie na het aftreden van Weizman sinds 26 mei 1980 zelf vervuld, maar wilde niet direct verantwoordelijk zijn voor het ontruimen van de Israëlische nederzettingen in de Sinaï in het kader van de Camp David-akkoorden met Egypte. Sharon had als minister van landbouw een persoonlijke visie ontwikkeld over de oplossing van het probleem van de in de Zesdaagse Oorlog van 1967 bezette gebieden. Hij wilde de Westelijke Jordaanoever in Israël integreren door de vestiging van grootschalige joodse landbouwkolonies die het gebied tot grote economische bloei moesten brengen. Veel Arabieren zouden wel naar Jordanië emigreren.Maoz (2006), p. 182-183 Hij hoopte dat de verhouding met de resterende Arabische bevolking door een snel toenemende welvaart sterk zou verbeteren. De grootste bedreiging hiervoor zag hij in externe politieke agitatie door de PLO. Deel van de vredesregeling met Egypte was het toestaan van een ruimere mate van zelfbestuur door de Palestijnen. Bij verkiezingen voor burgemeesters werden in 1980 oude leiders weggestemd en kandidaten gekozen die aan de PLO gelieerd waren. Sharon trok hieruit de conclusie dat het gebied niet gepacificeerd kon worden zolang de PLO direct aan de noordgrens van Israël het ideaal van een gewapende bevrijding levend hield.Maoz (2006), p. 179 Dit zou het gevaar in zich dragen van een Palestijnse volksopstand.Maoz (2006), p. 178 left|thumb|Als minister van landbouw, stond Sharon kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever voor Als minister van defensie begon Sharon plannen te ontwikkelen om de PLO uit Libanon te verdrijven. Hij vond hiervoor een luisterend oor bij Begin die deze doelstelling wilde uitbreiden met een beëindiging van de militaire aanwezigheid van Syrië in dat land. Het plan werd concreter uitgewerkt door opperbevelhebber generaal-majoor Rafael Eitan, die zich tamelijk volgzaam toonde ten opzichte van de oud-generaal Sharon. Eitan kwam tot de conclusie dat een grote Libanese campagne op korte termijn alle kans van slagen had; hij achtte het niet zijn taak de politieke wenselijkheid ervan te onderzoeken. Al onder Weizman was in 1979 een plan opgesteld voor een ruimere invasie van Libanon, met als codenaam Bnei Tovim, "Mannen van Goede Afkomst". In het voorjaar van 1981 werden nieuwe plannen geformuleerd onder de naam Arazim, "Ceders". Deze voorzagen in een opmars naar Beiroet. In de herfst werd dit uitgebreid met een fase waarin het Syrische leger verslagen werd. In die vorm heette het plan Oranim, "Dennebomen". thumb|Syrische SAM-6-batterij in de Bekaa